dinsdag 18 april 2023

de 3 a 4 zwartmagische spijkers aan het kruis bij Christus

Ik had zelf nog niet geschreven over de magische spijkers van Judith von Halle.

Maar Prokofieff heeft dat wel gedaan en beschrijft hieronder zijn indruk van een lezing die hij van JvH bijwoonde.  Over het eerste stuk waarover ze sprak over de houtsculptuur van Steiner kon hij wel waarderen maar toen opeens.....

voor machinevertaling scroll naar onder:

Dann jedoch machte die Vortragende beim weiteren Vere eine Pause und sprach plötzlich (nach meiner Wahrnehmung mit einem veränderten Gesichtsausdruck und auch nicht thene mit derselben Stimme weiter. Es war, als spräche jetzt ein anderer Mensch. Und nun folgte zu meiner völligen Überraschong ne schaurige Geschichte, die mit der ganzen vorhergehenden Betrachtung nichts zu tun hatte und dazu noch in einer Art vor getragen wurde, dass keine Möglichkeit mehr bestand, dem Gesagten erkenntnismäßig näherzukommen (was bei anthropo sophischen Ausführungen jedoch das höchste Gebot sein sollte. Sie erzählte, dass auf wundersame Weise, die aber rätselhaft bleiben müsse, einige Wochen vor der Jordantaufe des Jeaus drei Eingeweihte der schwarzen Mysterien nach Palästina gerein seien, einer aus Indien, ein anderer aus Afrika und ein Dritter aus Mittelamerika. «Jeder von ihnen brachte zwei Dinge mit nach Palästina: ein Stück Erz aus der Region, aus der er kam; und die Quintessenz aller schwarzmagischen Rituale seiner Region (S 49). Aus diesem Erz gossen sie es waren noch «drei weitere Personen [aus Palästina] anwesend, welche Eisen als Grundmaterial mitbrachten» (ebd.) - auf schwarzmagische Weise, noch bevor Christus auf die Erde kam, drei Nägel für sein Kreuz. Dabei war das wirkende Böse so intensiv, dass nach der Wahrnehmung J. v. Halles das Folgende eintrat: «Man konnte das Böse riechen>> (ebd.). Das Ganze hatte zum Ziel, dass Christus Jesus, mit diesen schwarzmagischen Nägeln ans Kreuz geschlagen, daraufhin nicht mehr hätte auferstehen können und folglich «seine Göttlichkeit verlieren» würde (S.51).

Dieses dunkle Ziel wird von J. v. Halle wie folgt beschrieben: «Durch das schwarzmagische Ritual [von diesen drei Schwarzmagiern durchgeführt] war in jene drei Nägel eine soratische Macht eingezogen, die bewirken wollte, dass der Gott Christus im menschlichen Jesusleibe nicht in den Tod, das heißt also in seine Erdengeburt eingehen und damit nicht die Erlösung der Menschheit einleiten könne, sondern im Jesusleib am Kreuzesholz verhaftet bleiben müsse. Er sollte sein göttliches Werk, den Tod zu beleben, nicht erreichen, indem die Nägel den göttlichen Erlösergeist im Fleische des Jesus von Nazareth festhielten, damit er so in den Tod eingehen müsse wie alle Menschen der vorchristlichen Zeit und damit den Einflüssen Ahrimans anheimfiele. Durch diesen Akt sollte der Gott, der gekommen war, um für die Menschheit ein Opfer zu bringen, dessen er selber nicht bedurfte, seine Göttlichkeit verlieren, ja nie wieder sich ausweiten können zu Seiner eigentlichen Herrlichkeit und unbegrenzten Weite. Der Vater sollte den Sohn verlieren und damit das Menschengeschlecht» (S. 50-51)

We kennen het fenomeen van Alice Ann Bailey die door broeders van de schaduw geïnspireerd werd en een hele hoeveelheid met occulte kennis uit die kringen te boek stelde alsmede allerlei initiatieven.

M.i. doelt Prokofieff boven (tekst vet) daarop.

 

Intussen heb ik in mailgroepen horen verkondigen dat er 4 spijkers zouden zijn maar dat er maar 3 gebruikt hoefden te worden daar door de beide voeten van Christus er slechts 1 gebruikt werd. Dus niet voor elke voet apart een. Of dit ook van JvH stamt of dat haar volgelingen dit erbij verzonnen hebben is mij nog niet duidelijk Mogelijk staat dat in haar boek en dan wijkt dat af van de lezing die ze gaf.

Toen echter pauzeerde de spreekster terwijl zij verder sprak en ging plotseling (naar mijn waarneming met een veranderde gezichtsuitdrukking en ook niet met dezelfde stem) verder. Het was alsof er nu een andere persoon aan het woord was. En nu volgde er, tot mijn complete verbazing, een griezelig verhaal dat niets te maken had met het geheel van de voorgaande overpeinzing en bovendien zodanig werd gepresenteerd dat er geen mogelijkheid meer was om qua kennis van zaken (wat toch het hoogste gebod zou moeten zijn bij antropologische uiteenzettingen) dichterbij te komen bij wat er gezegd werd. Zij vertelde dat op een wonderbaarlijke manier, die mysterieus moet blijven, enkele weken voor de doop van Jezus in de Jordaan drie ingewijden van de zwarte mysteriën naar Palestina waren gekomen, een uit India, een ander uit Afrika en een derde uit Midden-Amerika. "Elk van hen bracht twee dingen mee naar Palestina: een stuk erts uit de streek waar hij vandaan kwam; en de kwintessens van alle zwarte magische rituelen van zijn streek (p 49). Uit dit erts goten zij "drie andere personen [uit Palestina], die ijzer als basismateriaal meebrachten" (ibid.).ijzer als basismateriaal" (ibid.) - op een zwarte magische manier, nog voordat Christus op aarde kwam, goten zij drie spijkers voor zijn kruis. Het kwaad op het werk was zo intens dat, volgens de waarneming van J. v. Halle, het volgende gebeurde: "Men kon het kwaad ruiken>> (ibid.). De hele zaak had tot doel dat Christus Jezus, aan het kruis geslagen met deze zwarte magische spijkers, daarna niet meer zou kunnen verrijzen en bijgevolg "zijn goddelijkheid zou verliezen" (p.51).

 

Dit duistere doel wordt door J. v. Halle als volgt beschreven: "Door het zwartmagische ritueel [uitgevoerd door deze drie zwarte magiërs] was in die drie spijkers een soratische kracht binnengedrongen, die tot gevolg wilde hebben dat de God Christus in het menselijk lichaam van Jezus niet in de dood, dat wil zeggen in zijn aardse geboorte kon treden en dus niet de verlossing van de mensheid kon inleiden, maar in het lichaam van Jezus aan het hout van het kruis gearresteerd moest blijven. Hij mocht zijn goddelijke werk van bezieling van de dood niet volbrengen door de nagels die de goddelijke verlossingsgeest in het vlees van Jezus van Nazareth vasthielden, zodat hij op dezelfde wijze als alle mensen uit de voorchristelijke tijd in de dood zou moeten treden en zo ten prooi zou vallen aan de invloeden van Ahriman. Door deze daad zou de God, die gekomen was om een offer te brengen voor de mensheid, dat Hijzelf niet nodig had, zijn goddelijkheid verliezen en nooit meer kunnen uitbreiden tot zijn ware glorie en onbegrensde uitgestrektheid. De Vader zou de Zoon verliezen en met hem het menselijk ras" (blz. 50-51).

Hier valt natuurlijk nog veel meer over te zeggen.

Het thema van de spijkers is niet door JvH bedacht maar was al veel eerder verspreid.
Hier slechts een van de gegevens daarover:

2: De spijkers

Er zijn diverse legenden gaande, ook onder de zigeuners zelf, over de spijkers. 

Ik zal er hier onder een paar in het kort beschrijven:

 

1: De zigeuners hebben getracht de spijkers bedoeld voor het kruis, te stelen want ze wilden niet dat Jezus zou lijden. Echter werden ze betrapt nadat de eerste spijker was gestolen en sloegen met deze vierde spijker op de vlucht. Daarom is Jezus met drie en niet vier spijkers doorboord en dat heeft dus minder pijn gedaan. Daarom vormen (volgens de Nederlandse zigeunerkoning Koka Petalo) de zigeuners een uitverkoren volk.

 

2: De zigeuners hebben inderdaad de vierde spijker gestolen maar deze diefstal heeft hen niet de naam van uitverkoren maar van stelend volk bezorgd. Het boete doen voor deze daad is de verklaring voor het zwerven over de aarde. Aldus de Duitse zigeunerkoning Jan Gomans.

 

3: En nu de Franse versie: nadat Romeinse soldaten vergeefs aan klopten bij een aantal smederijen omdat ze dat vuile werk niet wilden doen en daarom vermoord werden, vonden ze een lustige zigeunersmid die wel bereid was. Bij het smeden van de vierde spijker hoorden ze de vermoorde smeden jammeren dat Christus nu vermoord zou worden, viel de spijker van zijn aambeeld en bleef gloeien en koelde niet af. Hij schrok hier zo van dat hij zijn boeltje pakte en maakte dat hij weg kwam, maar waar hij ook arriveerde: de spijker was er altijd eerder, gloeiend en wel. Dat zou de reden zijn waarom de zigeuners zich nergens thuis voelen en pas rust hebben wanneer ze de vierde spijker bij het Heilig Graf hebben gebracht en om vergeving hebben gebeden.

 

Zelf heb ik ooit ergens gelezen of gehoord dat de spijker van het aambeeld wipte en dat de smid er achter aan holde maar de spijker nooit te pakken kreeg en dat dat de reden zou zijn waarom de zigeuners nooit rust hadden en altijd on the road waren, op zoek naar de spijker om hem uiteindelijk terug te brengen.


word vervolgd
oa over de mexicaanse mysterien
over Sorat en de tempeliers 
over de 9 aardlagen en Sorat vlgs JvH
over JvH en zwarte magie en katholieke ingewijden
over JvH en etherische Christus 
JvH en Anna Katharina Emmerich
JvH en Prokofieff bashing
JvH en Hermetic Order of the Golden Dawn en Edith Marion


vorgetragen von Dimitar Mangurov am 14.07.2018 in Varna, deze man knoopt in zijn lezingen vaak aan bij Judith von Halle.

Apokalypse jetzt – erzengelmichaelblog (wordpress.com)

In einem kleinen Buch von 2007 („Das Christliche aus dem Holze herausschlagen… Rudolf Steiner, Edith Maryon und die Holzgruppe“) beschreibt die deutsche stigmatisierte Anthroposophin Judith von Halle ein aufschlussreiches Ereignis aus der Zeitenwende, das sie bei ihren spirituellen Forschungen beobachtet und erlebt hat.

Ein paar Wochen nach der Taufe des Christus im Jordanfluss haben sich in der kleinen Stadt Ascheklon in Palästina drei Vertreter der dunklen Mächte getroffen, die in die höhere Schwarzmagie eingeweiht waren.[1] Sie trafen an ein und demselben Tag zusammen – der erste kam aus dem Gebiet des heutigen Indien, der zweite – aus Afrika und der dritte – aus Mittelamerika. Jeder von ihnen brachte zwei Dinge mit – ein Stück Erz und die Quintessenz aller schwarzmagischen Rituale aus seinem jeweiligen Gebiet. In einem unterirdischen Feuerofen haben sie in jener Nacht das Erz zu einer Legierung verschmolzen. Es waren noch drei Menschen aus Palästina anwesend. Sie brachten Eisen mit, dem die Legierungen beigemischt wurden. Damit konnten die Schwarzmagier die Nägel für die Kreuzigung des Christus gießen. Während dieses Prozesses haben die Magier ihre satanischen Kräfte in die flüssige Legierung in Form von Worten hineinfließen lassen. Es war, als würden die Worte flüssig und als sie in die Legierung drangen, stieg beißender Rauch auf. Das Böse konnte man wörtlich riechen. Es riecht nicht wie etwas Materielles, da es an keinem materiellen Träger gebunden ist. Es ist ein spezielles Organ notwendig, um es zu riechen.

Im verhärtenden Metall haben die schlecht riechenden Worte Gegenständlichkeit in Form von Nägeln angenommen, die drei Kanten hatten – gleichsam gegen die Trinität gerichtet, doch ihre Kappen waren nicht ganz symmetrisch rund, da das Böse Gutes ist, das sich nicht an seinem Platz befindet.

Der eine Nagel enthielt den meisten Anteil des Erzes, das der Amerikaner mitgebracht hatte, der andere – mehr vom afrikanischen Erz und der dritte – vom indischen Erz. Genau diese Nägel haben nach weniger als drei Jahren scheinbar zufällig die Römer gegriffen, um Christus auf dem Golgatha zu kreuzigen. Der Nagel, der für die linke Hand benutzt wurde, stand unter dem Einfluss des Inders, der Nagel für die rechte Hand – unter dem Einfluss des Amerikaners und der Nagel für die Füße – unter dem afrikanischen Einfluss. Es ist nicht schwer, hier die Wirkung des luziferischen, ahrimanischen und asurischen Prinzips des Bösen festzustellen, durch die Sorat den Gott Christus im Leib Jesu für immer an das Holz des Kreuzes schlagen wollte. Der Erlöser sollte nach Sorats Plan nicht den Tod beleben, sondern wie alle Menschen in der vorchristlichen Zeit sterben und unter Ahrimans Einfluss geratend Seine Göttlichkeit verlieren. Er wurde in drei Richtungen gekreuzigt, damit die Materialisierung der Erde ohne Aussicht auf die zukünftige Vergeistigung weitergehen konnte.

In jener Nacht wurde ein vierter Nagel angefertigt, der denselben Anteil aller drei mitgebrachten Erze enthielt. Judith von Halle schreibt: „Ich kann nicht sagen, was mit ihm geschah, aber es wurde mit ihm ein Plan für die Zukunft geschmiedet, für die Wiederkehr jener Macht, der die unheiligen Könige dienten“. [2] Mit welchem Zweck wurde der vierte Nagel angefertigt? Die Antwort dieser Frage wird uns zu der unheimlichen Verschwörung der Wesen der Subgeschichte führen, die wortwörtlich vor unseren Augen vollzogen wird. Für die weitere Existenz der Erdenmenschheit ist die Enthüllung dieser Verschwörung lebenswichtig.


Der Transmaterialismus ist eine äußerst wirksame Form des Kampfes gegen den Geistesmenschen, gegen den Auferstehungsleib, gegen das Mysterium von Golgatha. Golgatha wird überflüssig werden, wenn der Mensch Ahriman folgt. Das ist jener vierte Nagel, den Sorat durch die drei schwarzen Könige in der Zeitenwende für die Zeit geschmiedet hat, wenn er ihn brauchen wird. Diese Zeit ist gekommen! Mit diesem Nagel kann Sorat nicht Christus an das Mineralische annageln, denn – wie der Meister Beinsa Douno sagt – „Christus ist stark und mächtig“. „In der Vergangenheit hat man die Hand des Christus mit einem Nagel durchbohrt. Doch heute kann niemand diese Hand mit Nägeln durchbohren – sie würden sofort schmelzen! In der Vergangenheit hat man Christus gekreuzigt, doch heute gibt es keinen so großen Baum, an dem man Ihn kreuzigen kann. Christus kann nicht ein zweites Mal gekreuzigt werden!“[11] 

Over Dimitar Mangurov word elders een ander artikel verschijnen.


autoriteitsgeloof

 In dit blog is al diverse keren eerder ingegaan op het feit dat Judith von Halle en haar volgelingen een beroep doen op het mystieke  ,magische (bij)geloof en haar waarnemingen en niet op het gezonde verstand. Hieronder is e.e.a. daarover na te lezen.



Zie de onderstaande voorbeelden met links (de eventuele ontbrekende links word nog aan gewerkt)

het wonderbaarlijke etherlichaam van Johannes Zebedeus en ook en ook en nog en recent
de zwart magische spijkers aan het kruis van Christus
de lijkwade die 2x dwars door de rotsen heen vliegt
het plotseling opdoemende doopeiland
Christus die eigenhandig dieren slacht t.b.v. laatste avondmaal
de vorm van het kruis op Golgotha

de mysterienaam van Rudolf Steiner die niet voor 2025 geopenbaard mag worden
de extra mysteriedrama's die Steiner niet uitgaf maar nu postuum door JvH
JvH over vaccinatie

e.e.a. zal in de loop der tijd nog aangevuld worden

Over visionaire helderziendheid en somnambulisme en spiegelzien is al eerder bericht. ook hier
en hier. Bij JvH word steeds heel veel belang gehecht aan zinnelijke bewijzen. (stigmata, destijds aanwezig geweest zijn bij Christus als ooggetuige, haar benadrukken van zinnelijke lichaamsgebonden schouwvermogen etc.) Rudolf Steiner over helderziendheid een compilatie


„Gerade unsere geisteswissenschaftliche Bewegung sollte die Menschen zu freiem Urteilen aufrufen, sollte hinwegfegen alles, was bloß auf äußeren Autoritätsglauben hin herrscht. Solange in der Gesellschaft noch das Gefühl herrscht, es käme auf den Mund an, durch den gesprochen wird, solange ist noch nicht unser Ideal erreicht. Wir sollen nur hören auf das, was dieser Mund spricht, weil die Dinge uns einleuchten, wenn wir mit Wahrheitssinn und unbefangener Logik ihm zuhören. Es ist unsere Bewegung im höchsten Maße geeignet, das freie Urteil des Menschen keimen zu lassen und zu entwickeln; aber es geht durch unsere Zeit ein starker Zug, den man nennen kann: Bequemlichkeit in bezug auf den Glauben. Durch die Bequemlichkeit des Glaubens werden der geisteswissenschaftlichen Bewegung große Hindernisse geschaffen. Dadurch, daß man etwas glaubt, weil es dieser oder jener gesagt hat, wird das freie Urteilen verzögert, das freie menschliche Seelenleben, die Verselbständigung auch in bezug auf die Verstandesseele. Es ist so bequem, nicht denken zu brauchen, und irgendeine Wahrheit nur anzunehmen, weil sie dieser oder jener gesagt hat; es ist viel bequemer, der Person glauben zu können, als zu prüfen, was die Person sagt.

Ich habe öfter ausgesprochen: Es ist zunächst nur möglich, innerhalb der spirituellen Bewegung Anregungen zu geben. Aber, nehmt alles, was wir in der Geschichte zum Beispiel über Zarathustra finden können: es wird nichts von dem widerlegt werden, was hier über Zarathustra gesagt wird, wenn man nur wirklich alles nimmt. Geprüft kann werden, und je strenger man prüft, desto angenehmer ist es dem, der in objektiver Weise die spirituelle Bewegung vertreten will. Der Wille zur Prüfung ist das, was er will. Aber es ist unendlich bequemer, zu glauben, einfach sich darauf zu berufen: das hat dieser oder jener Hellseher gesagt. - Das ist eine Gefahr für den wirklichen oder sogenannten Hellseher, wenn er noch nicht wirklich fest steht. Da ist schon eine Versuchung, das zu sagen, was die Leute glauben. Er gleitet leicht hinein in dasjenige, in das man überhaupt leicht gleiten kann, wenn es sich um den Aufstieg in die übersinnliche Welt handelt. Man steigt hinauf in eine Welt, in der wirklich nicht so leicht wie in der physischen Welt kontrolliert werden kann. Wenn man kontrollieren will mit dem Verstand, daß an den Grenzgebieten Engel und Erzengel eingreifen, so gehört ziemlich viel dazu, um das zu prüfen. Beim Glauben hängt es oft nur von dem Eindruck ab, den man von dem Menschen bekommen hat. Wie leicht die Menschen zu beeinflussen sind in bezug auf den Glauben, ist zu sehen an der Massensuggestion.

Massensuggestion ist etwas, worüber die wunderbarsten Entdeckungen erst in der Zukunft gemacht werden können. In früheren Zeiten war das etwas ganz anderes, weil die Bewußtseinsseele noch nicht so frei war. Heute steht der Mensch in der Befreiung der Bewußtseinsseele, steckt aber in der Unfreiheit der Verstandesseele noch ganz drinnen. Wodurch wird suggeriert? Nicht nur durch das, was sympathisch oder unsympathisch ist an einer Persönlichkeit; auch dadurch, daß zum Beispiel jemand in ein Amt getreten ist, daß er für fünf Kinder zu sorgen hat und nun sich gezwungen glaubt, im Amt bleiben zu müssen. Es ist dem Menschen heute oft lieber zu hören auf alles das, was auf scharlatanhafte Weise aus der übersinnlichen Welt herausgeholt wird, als auf das, was auf gediegener Forschung beruht. Denn das erstere hat zweierlei Eigenschaften. Zunächst ist es ungeheuer trivial. Das zum Beispiel, was Schreibmedien niederschreiben, ist meistens so, daß man sich das Betreffende ebensogut selber denken könnte, nur wird es dem Menschen glaubhaft gemacht durch die Art, wie es ihm beigebracht wird. Der Mensch glaubt dann, es spiele etwas hinein aus der geistigen Welt. Gerade durch ihre Trivialität werden diese Dinge dem Menschen angenehm. Oder sie haben die andere Eigenschaft, daß sie so unverständlich sind, daß überhaupt niemand etwas davon verstehen kann. Die Dinge, die besonders unverständlich sind, gelten dann oft als besonders mystisch. An den Grenzgebieten von Übersinnlichem und Sinnlichem kann das Scharlatanhafte verquickt werden mit dem, was auf ernster Forschung beruht. Das muß betont werden, daß nur derjenige seine Pflicht erfüllt, der wachsam ist in bezug auf die eigene Seele, der namentlich achtgibt auf alles das, was die Instinkte trüben kann, so daß wir die Angelegenheiten der Menschheit zu fördern glauben, während wir nur die eigenen fördern, oder, daß sich unvermerkt in das, was wir sprechen, das Unwahre hineinmischt, die Lüge, die Versuchung Ahrimans.

Nur wer fortwährend wachsam ist in bezug auf all dieses, nur wer sich immer sagt: Trittst du in eine spirituelle Bewegung ein, so ist große Gefahr vorhanden, daß du eitel und hochmütig wirst - nur der kann weiterkommen. Das ist selbstverständlich. Einen Vorwurf darf man dem Menschen deshalb noch nicht machen, nur dann, wenn der Betreffende gar nichts tut, um diese Eigenschaften herunterzudrängen. Eine ungeheure Versuchung liegt vor, nicht so ganz bei der Wahrheit zu bleiben, wenn man es zu tun hat mit Menschen, die einem glauben. Man kann den Menschen alles mögliche aufbinden, wenn sie auf Autorität hin glauben. Dann hat man es leicht. - Man darf auch niemandem Vorwürfe machen darüber, daß bei Annäherung an die spirituelle Welt in ihm das Lügenhafte auftritt, aber das soll ihn nicht vor sich selbst entschuldigen, sondern er soll alle Anstalten treffen, das herauszuwerfen aus seiner Seele. Das ist der Sinn des: Erkenne dich selbst. Man muß die einsamen Stunden suchen, wo man dazu kommt, sich zu sagen: Da droht wieder eine Gefahr, also sei auf deiner Hut. - Wenn man sie nicht hat, diese einsamen Stunden, wenn es einem unangenehm ist, sich etwas nicht Gutes gestehen zu können, wenn sie nicht der Ausgangspunkt sind, um die Fehler zu bekämpfen mit aller Gewalt, dann ist man auf der schiefen Ebene, dann rollt man hinunter, anstatt hinaufzusteigen.

Das sind solche Dinge, die wir ins Auge fassen müssen, wenn wir unsere Stellung zur okkulten Forschung erkennen wollen, zu der Forschung, die das höchste Gnadengeschenk ist, welches in die physische Welt hineinfließt aus den spirituellen Welten, denen gegenüber wir das größte Verantwortungsgefühl haben sollen.

Die Pflicht, mit einem Teile der Menschheit in die spirituelle Welt hineinzugehen, weil nur dadurch der Fortschritt möglich ist, und zugleich das Gefühl der Verantwortlichkeit sollen in uns wach werden, das Gefühl: es ist eine Pflicht, wenn ich einmal die Sache kennengelernt habe, daran teilzunehmen. Es wird oft den Vertretern der Geisteswissenschaft vorgeworfen, daß sie nicht genug Rücksicht auf moralische Betrachtungen nehmen. Sie werden oft gemacht, so wie auch heute, damit im Fortgang unserer spirituellen Bewegung, durch welche zu den geistigen Quellen geführt werden soll, auch von den Impulsen, die aus jenen geistigen Quellen kommen, gehört werde.“ (Lit.:GA 127, S. 51ff)


Christian Morgenstern zeichnete sich folgende Worte Rudolf Steiners auf:

„Man soll dem Okkultisten nicht alles gleich glauben; eine gesunde Skepsis muß er sich von seinen Zuhörern sogar wünschen. Wer alles blind hinnimmt, der kommt nicht weiter. Der Geistesforscher will auch nicht <verehrt> werden, sondern nur richtig verstanden.“ (Lit.Beiträge 33, S. 8)


„Das ist heute noch das besonders charakteristische Kennzeichen unserer gegenwärtigen Menschheitsentwickelung: Auf der einen Seite die traditionellen Träger des alten Geisteslebens, die einen verketzern, verleumden, wenn man aus der modernen Wissenschaftlichkeit heraus eine Durchgeistigung anstrebt. Sie tun es heute schon ganz bewußt, weil sie kein Interesse haben für den Fortgang der Menschheitsentwickelung, und weil sie zunächst nur daran denken, diese Menschheitsentwickelung zurückzuhalten. Sie tun es manchmal in so grotesker Weise wie jener sonderbare Gelehrte, der neulich auch über Anthroposophie in Zürich gesprochen hat, und der so kraß geredet hat, daß es selbst seinen Amtsgenossen zu toll geworden ist, so daß, wie es scheint, eine Art kleiner Reklame gerade aus dieser Bekämpfung der Anthroposophie geworden ist. Aber sie tun es; sie werden es noch viel mehr tun, denn sie werden mit ganz großen Verleumdungen aufrücken. Da sieht man eben das, um was es sich handelt, in Form von Verleumdungen und so weiter auftreten, in Form des Unwahren.

Auf der anderen Seite ist heute noch ein starker Widerstand zu bemerken, der aber im Grunde im Unbewußten spielt. Und das ist ein schmerzliches Erlebnis; da, auf diesem Gebiete, ist durchaus zu sprechen von einer inneren Opposition, die zuweilen gar nicht so gemeint ist, gegen das, was eigentlich in der Richtung des geisteswissenschaftlichen Strebens liegen muß. Es wird sich darum handeln, daß gerade auf diesem Gebiete gelernt werden muß ein volles Mitgehen mit dem, was Geisteswissenschaft da wollen kann. Denn die Beurteilung dessen, was aus dem Geisteswissenschaftlichen heraus gewollt werden muß, nach dem bisher üblichen Subjektiven, das würde ja auf diesem Gebiete genau dasselbe sein, was die Pfarrer und die anderen tun auf anderen Gebieten, indem sie Geisteswissenschaft verketzern. Das ist, was unsere anthroposophische Bewegung schwierig macht, daß im Grunde genommen gerade auf diesem Gebiete deutlich bemerkbar ist eine Art innerer Opposition. Man kann schon sagen, gerade auf diesem Gebiete zeigt sich am klarsten, was in so merkwürdiger Weise gewisse Anschuldigungen beleuchtet, die von mancher Seite kommen. Da wird gesagt: In dieser Anthroposophischen Gesellschaft, da sprechen ja alle doch nur dem einen nach, - und in Wirklichkeit sprechen sie gar nicht nach, sondern das, was jeder selber meint, das sagt er, daß der eine es möchte. Das haben wir ja so vielfach erfahren, nicht wahr? Was einer gerade mochte, davon sagt er sehr häufig, daß ich es ihm gesagt habe, wenn er auch genau das Gegenteil von mir gehört hat. Das ist der nun wirklich herrschende Autoritätsglaube. Sonderbarer Autoritätsglaube! Es hat sich ja das in vielen Fällen gezeigt. Aber von einer besonderen Schädlichkeit wäre, wenn dieses, was ja eine merkwürdige Art von Opposition ist - Opposition hat es ja eigentlich in Wirklichkeit immer mehr gegeben als Autoritätsglaube, und daher ist die Beschuldigung des Autoritätsglaubens wirklich eine recht ungerechte -, noch verhängnisvoller wäre es, wenn das, was ich hier andeute als innere Opposition, gerade auf dem Gebiete des praktischen Lebens weitere Dimensionen annehmen würde. Denn dann würden, solange es noch geht, selbstverständlich die Gegner des anthroposophischen Strebens sagen: Na ja, eine sektiererisch phantastische Bewegung, die doch nicht praktisch sein kann. - Sie kann natürlich nicht praktisch sein, wenn die Praktiker sich nicht auf sie einlassen, geradesowenig wie man schließlich nähen kann, wenn man keine Nadel hat, wenn man es noch so gut versteht, das Nähen.

Ich möchte dadurch nur auf etwas hindeuten, was notwendig zu beachten ist. Ich spreche damit nicht eine Kritik aus, deute überhaupt auf nichts Vergangenes hin, sondern ich deute auf etwas hin, was für die Zukunft notwendig ist. Allerdings, ich würde selbstverständlich nicht hindeuten, wenn ich nicht allerlei Rauchwolken heraufsteigen sehen würde. Aber ich deute wirklich nur auf etwas hin, was gewissermaßen als eine Aufforderung zu gelten hat, nun wirklich von allen Seiten mitzuarbeiten und ja nicht hinter die reaktionäre Praxis sich zu verschanzen und hinter den Schanzen der reaktionären Praxis Anthroposophie, trotzdem man ihr vielleicht aufhelfen will, im Grunde genommen zu vernichten. Also nicht auf irgend etwas, was schon geschehen ist, deute ich hin, sondern auf dasjenige deute ich hin, was für die Zukunft notwendig ist. Es ist schon notwendig, daß man über diese Dinge nachdenkt.“ (Lit.:GA 200, S. 100ff)

„Frage: «Von vielen Seiten wird der theosophischen Bewegung und den damit verwandten Zeitströmungen Personenkultus vorgeworfen. Und es muß in der Tat auf Menschen, die ihre Freiheit und Selbständigkeit Heben, beunruhigend wirken, wenn von einzelnen Personen Lehren verkündet werden, welche die Zuhörer und Leser vorläufig nicht prüfen können, und welche viele auf blinden Autoritätsglauben hin annehmen. Liegt in solchen Tatsachen nicht eine Gefahr bei den Bewegungen, die sich auf Okkultismus und Theosophie gründen?»

Eine solche Gefahr könnte nur aus Mißverständnissen entspringen. Diejenigen, welche aus eigenen Erfahrungen heraus höhere Wahrheiten verkündigen, oder welche auf die Glaubwürdigkeit anderer Zeugen hin solche Wahrheiten weitergeben, werden nie das beanspruchen, was man Personenkultus oder blinden Autoritätsglauben gewöhnlich nennt. Sie werden das um so weniger tun, je bessere Okkultisten sie sind. Und wenn man sagt, die Zuhörer oder Leser könnten die Dinge nicht unmittelbar prüfen, so sollte man doch bedenken, daß es auch für denjenigen, welcher noch nicht bis zum eigenen Schauen gelangt ist, Mittel und Wege gibt, um sich immer mehr und mehr von der Wahrheit dessen zu überzeugen, was ihm mitgeteilt wird. Derjenige, welcher die Mitteilungen macht, will - immer vorausgesetzt, daß er wirklich im Herzen Okkultist oder Theosoph ist - nicht anders wirken als ein Erzähler. Er sagt: ich habe dies oder jenes erfahren, oder mir ist von solchen, die es wissen können, dies oder jenes mitgeteilt worden. Ein gesunder, gerader Verstand, eine wahre Empfindung im Zuhörer wird zunächst zuhören, das heißt weder blind glauben noch blind kritisieren. Das Wahre wirkt einleuchtend und aufklärend, das Falsche stößt zurück und klärt nichts auf. Vom Wahren sagt sich der Zuhörer oder Leser: Ja, durch das, was mir da mitgeteilt wird, kann ich die Tatsachen der Natur und des Lebens begreifen; wenn das aber nicht wahr wäre, was da gesagt wird, bleiben mir diese Tatsachen unverständlich. Dieses Verhalten zu einer Lehre kennt auch die anerkannteste Wissenschaft; man nennt da solche Lehren brauchbare Arbeitshypothesen. Nur daß der Okkultist nicht Hypothesen mitteilt, sondern Tatsachen, die er selbst gesehen hat. Aber das hindert ja niemand, solange er nicht selbst prüfen kann, die Dinge als brauchbare Lebenshypothesen anzunehmen. Und ganz sicher ist, daß derjenige, welcher sich aufrichtig und ehrlich so verhält, über kurz oder lang zum eigenen Schauen kommt. Denn es gibt für die gegenwärtige Menschheit keinen ersprießlicheren Weg zum höheren Schauen als denjenigen, zunächst einmal die Lehren derer zu hören, die schon gesehen haben, und davon anzunehmen, was man selbst für vernünftig und annehmbar halten kann. Gar viele würden sich bald für diese Vernünftigkeit und Annehmbarkeit der okkulten Lehren erklären, wenn sie die Fesseln des Vorurteils und des materialistischen Aberglaubens abstreifen könnten. Aber viele sind ganz erfüllt gerade vom Autoritätsglauben und Personenkultus gegenüber ihren materialistischen Größen und können deshalb sich nicht unbefangen den Mitteilungen der Okkultisten hingeben. Wer sich frei von diesem Autoritätskultus macht, der wird bald sehen, wie einleuchtend für Verstand und Herz die Lehren der sogenannten Geheimwissenschaft sind. Denn der Mensch ist durch Vernunft, Gefühl und Empfindung für die Wahrheit, nicht für den Irrtum veranlagt, und nur die Befangenheit und das Vorurteil können ihm dabei hindernd in den Weg treten.

Derjenige, welcher nicht an den Verstand seiner Zuhörer oder Leser sich wendet, sondern Personenkultus oder blinden Autoritätsglauben verlangt, hat nichts vom Wesen des Okkultismus begriffen. Durch nichts kann man sicherer erkennen, daß jemand kein Okkultist ist, als dadurch, daß er solchen blinden Glauben oder persönliche Anerkennung verlangt. Er ist dann nicht Okkultist, sondern ein eitler Tropf. Geht man der Wahrheit übrigens auf den Grund, so wird man stets finden, daß - abgesehen von einigen, die sich eben erst hier zum Richtigen durcharbeiten müssen- diejenigen am meisten über Personenkultus klagen, die finden, daß ihrer eigenen Person zu wenig Kultus entgegengebracht wird. Diese sollten aber ein wenig in sich gehen, und niemandem eines der schönsten Gefühle rauben wollen, das in der Verehrung derjenigen besteht, die einem die Wahrheit zugänglich machen. Dieses Gefühl ist eines jeden persönliche Angelegenheit, und in diese sollten sich nicht die hämischen Stimmen eitler Kritiker mischen. Wer selbst ein dankbares Gemüt hat und seinen geistigen Helfern Achtung und Liebe entgegenbringt, der wird es nie über sein Herz bringen, diese Gefühle bei anderen zu tadeln. Fange nur vor allem jeder bei sich selbst zu kritisieren an, arbeite er an der Verbreitung der Wahrheit, so wird er am besten anderen dienen.“ (Lit.:GA 34, S. 386ff)

„Wir versuchen, Geisteswissenschaft zu pflegen, um den Materialismus zu überwinden, um vorzubereiten dasjenige, was in der sechsten Kulturperiode an Wissenschaft da sein muß. Wir begründen Menschengemeinschaften, in denen gar nichts herrschen darf von irgendeinem Autoritätsglauben, von Anerkennung einer Lehre, nur weil sie von der einen oder andern Persönlichkeit geliefert wird. Wir begründen Menschengemeinschaften, in denen alles, alles gebaut sein muß auf die freie Zustimmung der Seele zu den Lehren. Damit bereiten wir dasjenige vor, was die Geisteswissenschaft Gedankenfreiheit nennt. Und dadurch, daß wir uns zusammenschließen, uns in brüderlichen Vereinigungen verbinden, um unsere Geisteswissenschaft zu treiben, bereiten wir dasjenige vor, was als Kultur, als Zivilisation die sechste nachatlantische Kulturperiode durchdringen soll.“ (Lit.:GA 159, S. 304f)

„Es treten Menschen auf, die das Anthroposophische mit Recht, mit vollem Recht, mit Enthusiasmus verkünden. Sie betonen dabei aber, daß sie bei dieser Verkündung eine Lehre geben, die ihrer Erfahrung zunächst nicht zugänglich sei, die sie vertreten als eine Lehre, die nur dem Geistesforscher als solchem zugänglich sei. Dadurch wird ein Konflikt herbeigeführt mit der Geisteshaltung der heutigen Zivilisation. Die heutige Zivilisation macht dem Menschen einen Vorwurf, wenn er gewissermaßen doch auf eine Art Autorität hin irgendeine Weltanschauung vertritt. Dieser Vorwurf würde ja wegfallen, wenn man gründlich einmal hüben und drüben einsehen würde, daß die Ergebnisse der Geistesforschung, wie sie in der Anthroposophie gemeint sind, zwar gefunden werden müssen mit Methoden, die der einzelne sich auf verschiedenen Wegen aneignen muß, daß diese Ergebnisse aber von dem wirklich unbefangenen Menschenverstände, wenn sie einmal da sind, tatsächlich auch eingesehen werden können.“ (Lit.:GA 257, S. 50f)

„Und wenn der oder jener gesagt hat: Der Doktor hat gesagt, daß es gemacht werden soll —, dann bedeutet das, daß ein solcher den freien Willen fremden Einflüssen überliefern wollte, daß er ihn nicht durch sich, sondern durch etwas anderes bestimmen lassen wollte; er wollte, der andere solle in die physische Welt eine Geneigtheit tragen, den freien Willen binden zu lassen. Auch jedesmal, wenn die Menschen sich auf Fatalismus verlassen, statt durch ihre Urteilskraft zu entscheiden, zeigen sie ihre Neigung zu der achten Sphäre; und alles, was wir für die achte Sphäre erleben, verschwindet von der Erdenentwickelung, geht nicht mit der Erdenentwickelung in der rechten Weise vorwärts.“ (Lit.:GA 254, S. 98)


en uiteraard op dit blog nog veel meer om zelf tot een conclusie te kome. 

zaterdag 15 april 2023

Update 22-05-2013 ueber ein Taufinsel waehrend Christi Taufe im Jordan. Anna Katharina Emmerich und Judith von Halle ueber


Update 22-05-2013




Anna Katharina Emmerich und Judith von Halle ueber ein Taufinsel waehrend Christi Taufe im Jordan.

scroll down for english version (google translate)

Aus Anna Katharina Emmerich: Das arme Leben unseres Herrn Jesu Christi, seite 102-103

Die Taufinsel
Johannes hielt seinen Jüngern am Jordan eine Lehre von der Nähe der Taufe des Messias. Er sagte, daß er ihn nie gesehen, sprach aber: "Ich will euch zum Zeugnis seine Taufstelle zeigen. Sehet, die Wasser des Jordan werden sich teilen, und es wird eine Insel entstehen!" In demselben Augenblick sah ich die Wellen des Flusses sich teilen, und es trat mit der Oberflaeche des Wassers in gleicher Höhe eine kleine eirunde weiße Insel hervor. Es war dies die Stelle, wo die Kinder Israel über den Jordan mit der Bundeslade gezogen waren, und hier hatte auch Elias den Jordan mit seinem Mantel geteilt.
Es war eine große Rührung unter den Anwesenden; sie beteten und lobsangen. Johannes aber und die Jünger legten grosse Steine in das Wasser und Bäume und Zweige darüber und machten eine Brücke bis zur Insel und schütteten kleine weisse Steinchen über die Brücke, Als sie fertig war, konnte das Wasser unten durchrauschen. Johannes und seine Jünger pflanzten zwoelf Bäumchen um die Insel und zogen sie in eine oben offene Laube zusammen. Zwischen dieselben setzten sie noch kleinere Hekken, welche viel am Jordan hin und her wuchsen. Sie hatten weiße und rote Blüten und gelbe Früchte mit einem Kröndchen wie Mispeln. Es sah sehr schön aus, denn einige blühten, andere waren voller Früchte. (6 Januari, red.)
Die emporgetauchte Insel, der Ort, wo die Lade beim Durchzug durch den Jordan gestanden, schien felsig und das Flussbett mehr ausgewaschen als zu Zeiten Josuas; das Wasser aber schien viel niedriger, so daß ich nicht weiß, ob das Wasser wich oder die Insel stieg, da Johannes sie als Jesu Taufstelle hervorrief.
Links von der Brücke, nicht in der Mitte, sondern näher an dem Rande der Insel, war eine Grube gemacht, in welcher klares Wasser emporstieg. Es führten einige Stufen hinab, und dicht an dem Wasserspiegel lag ein dreieckiger, glatter roter Stein, auf welchem Jesus bei der Taufe stehen sollte. Zur Rech­ten dieses Steines stand ein feiner Palmbaum mit Früchten, den Jesus bei der Taufe mit dem Arme umfasste. Der Rand des Brunnens war zierlich ausgelegt und alles sehr schoen gearbeitet.
Die Stelle, worauf die Bundeslade im Jordan gestanden, ist aber gerade der Ort des Taufbrunnens Jesu auf der Insel, die vom Wasser entbloessst erschien.
Als die Israeliten und die Bundeslade herüber und die zwölf Steineaufgerichtet waren, begann der Jordan zu strömen.

Hier een nederlandse vertaling uit volgende belgische website .
en hier
hier ook

Artikel over AKE uit 1999 van auteur.


aus: Vom Mysterium des Lazarus und der drei Johannes, teil IV, Die Jordantaufe und die Erkenntnisskraefte Johannes des Taufers (JvH)
er verkündete die bevorstehende Ankunft durch die Taufen, die er an dem Volk, ja gar an den Schriftgelehrten vornahm. Denn diese waren das Mittel, um den Täufling durch ein Untertauchen und die dadurch eintretende par­tielle Loslösung seines Ätherleibes zu einem eigenständi­gen Wahrnehmen der geistigen Welt kommen zu lassen, welche der Betreffende alsdann als Geburtsstätte seines eigenen Ichs verinnerlichen konnte. Johannes war der­jenige, der im Palästina der Zeitenwende am stärksten eine Wahrnehmung hatte von der nahenden Ankunft des Logos, und zu einer ähnlichen Wahrnehmung verhalf er den Menschen, die zu ihm kamen, durch seine Predigten und die Wassertaufen.

(.......)

Der Kosmos hält für einen Moment den Atem der Zeit an, und es erhebt sich aus den Wassern des Flusses, in die er soeben stieg, um die Taufe des Herrn vorzubereiten, umwölkt von sich in Licht und Wind offen baren den himm­lischen Heerscharen, eine Art Insel; sodass das Wasser des Flusses sich an ihr teilt und das Eiland umfließt. Der geis­tige Betrachter wird sich bei diesem Anblick versetzt füh­len an den Anbeginn der Welt, denn es ist damit ein Stück unberührtes Erden-Land aus den Urwassern des Geistes gehoben worden, das rein von alldem ist, was nach dem Paradiesfall das irdische Land zum vorerst toten Blutacker erstarren ließ, getrennt von den erquickenden Urwassern des göttlichen Geistes. Hier nun, wie herausgehoben aus den verdorrten stofflichen Bedingungen, erhebt sich eine himmlische Scholle, die wirkliche Erde zugleich ist. (.......)
Man führe sich das nur deutlich vor die Seele: Welch einzigartige Stellung nahm der Täufer in der Taufe des Herrn ein! Himmel und Erde waren nur noch getrennt voneinander durch ein Menschenwesen, das die Taufschale in seiner Hand hielt. Und in dem Moment, als zum dritten Mal das Wasser das Haupt Jesu benetzte, durchfuhr es dieses Menschenwesen wie ein Blitz.


 
Nun die Frage: sind hier wiedergegeben den Tatsachen die sich fysisch zugetragen haben, oder ist es uebersinnliche Schau, die auf sinnliche Art kundgetan wird?
Es ist 6 Januar, das bluehen der Blume deutet auf eine aetherische Ebene der Schau.
Einerseits wird an Steiner angeknuepft das der Taufling ganz im Wasser untergetaucht wird. Anderseits wird gesprochen von eine Taufschale und ein Stein worauf der Taufling steht und ein Palmbaum festhalt. Den gepflanzten 12 Baumen und den 12 Steine deuten auf eine uebersinnliche Realitaet. Bei AKE wird das Insel erst vorbereitet und von Pflanzen versehen usw, bei JvH entsteht es kurz bevor der Taufe Christi.
Ein Kennmerk von Somnambulismus ist das uebersinnliche und sinnliche Wahrnehmungen miteinander gemixt werden, ohne das der Schauende selbst beurteilen kann was richtig ist. Deshalb kann gesagt werden das solche Schauungen nicht ganz in Uebereinstimmung mit den anthroposophischen Forschungsmethoden zu vereinbaren ist. Das von JvH-Anhaenger viel gesmadete Buch von Prokofieff, geht sehr klar auf diese Tatsachen ein.




St: Wunder. Es ist ein Aberglaube, anzunehmen, daß in dem gewöhnlichen Gang der Ereignisse dasjenige, was man als den gesetzmäßigen Zusammenhang erkannt hat,
durch ein Wunder durchbrochen werden könne. Soviel muß geschehen nach notwendigen
Regeln, als Vergangenes in den Ereignissen ist. Und würden die Götter in
einem Zusammenhang dasjenige durchbrechen, was gesetzmäßig drinnen ist, so
würden die Götter lügen; sie würden ableugnen das, was sie vor Zeiten festgestellt
haben. 163.69

een goede recensie ivm het boek Zeitreisen van Prokofieff en een vervolg erop
en een recensie van een aanhanger
Een aanhanger die veel geroemd wordt om zijn wetenschappelijkheid ( Dr. med. Helmut Kiene Institut für angewandte Erkenntnistheorie und medizinische Methodologie, Freiburg i. Brsg. ) schrijft als verdediging het volgende:
Taufe Jesu

Kiene: Prokofieff schreibt: „Die Taufe Jesu, die, allen vier Evangelien, der Geistesforschung Rudolf Steiners und unzähligen Kunstwerken entsprechend, im Jordan-Fluss stattgefunden hat, geschah nach Katharina von Emmerich [und v. Halle] auf einer Insel, die auf wunderbare Weise für diesen Zweck entstanden sei, mit einem natürlichen Becken in der Mitte, in dem die Taufe vollzogen wurde.“ (Prokofieff 2008, S.173) Sagen wirklich alle vier Evangelien, dass die Taufe Jesu im Jordan stattgefunden habe? Lukas und Johannes sagen kein Wort über den Ort der Jesustaufe, und Matthäus schreibt (3,16): „Als Jesus getauft war, stieg er sogleich aus dem Wasser, und siehe, die Himmel taten sich auf…“ Bei Markus heißt es (1,9): „und ließ sich im Jordan von Johannes taufen.“ Proko-fieffs Aussage, alle vier Evangelien würden die Taufe im Jordan bezeugen, ist also falsch. Nur zwei der Evangelisten schreiben vom Jordan. Im Übrigen ist auch eine Jordaninsel ein Ort im Jordanfluß, und auch aus einem Wasserbecken auf solcher Inselsteigt man „aus dem Wasser“ (Matthäus 3,16). Weder haben Matthäus und Markus geschrieben (und Lukas und Johannes schon gar nicht), dass sich Jesus im Augenblick der Taufe körperlich im fließenden Wasser des Jordan befunden habe, noch sagt irgendeiner der Evangelisten ausdrücklich, dass die Taufe nicht auf einer im Jordan gelegenen Insel stattgefunden habe. – Und Steiner? Eine konkrete diesbezügliche Aussage wird von Prokofieff nicht zitiert und gibt es wohl auch nicht. (zie onder)– Und die Kunsttradition? Es gibt Bilder mit Jesus im Wasser und auf trockenem Boden (und einige Bilder, die vielleicht sogar eine Insel andeuten), und auf vielen Bildern kann das dargestellte Wasser durchaus das eines Beckens sein. Die künstlerischen Präsentationen sind deshalb, wenn überhaupt, nur wenig geeignet zur Klärung der Frage, wo Jesus im Moment der Taufe sich genau befand. Fazit: Von Halles Aussagen stehen nicht im Widerspruch zu den Evangelien, auch nicht zu Steiner. Prokofieffs Aussage aber stimmt nicht überein mit dem tatsächlich geschriebenen Inhalt des Lukas- und des Johannesevangeliums.

 De hooggeleerde man (Kiene) denkt dus e.e.a. te kunnen weerleggen door te vertellen dat de dopeling na het dopen uit het water weer omhoog komt. En slaat daarbij volkomen in de wind dat zowel JvH als AKE het duidelijk hebben over een uit het water omhoogkomend eiland.

De JvH interpret is drukker om onnauwkeurigheden bij Prokofieff te vinden dan dat hij op diens argumenten ingaat.

Steiner: "In späteren Zeiten, noch zur Zeit des Mysteriums von Golgatha und darüber hinaus, wurde ja zum Beispiel der Akt der Taufe zumeist so vollzogen, daß er in der Tat noch eine Verrichtung am Menschen selber war. Die Täuflinge wurden [ins Wasser] untergetaucht und dadurch in dieselbe Lage gebracht wie ein Ertrinkender, dem in einer rückwärtslaufenden Perspektive seine Lebensvorgänge am geistigen Blick vorüberziehen. Das gehörte in früheren Zeiten zu der Taufe, daß dem Menschen das vergangene Leben vor die Seele gebracht wurde, daß er also in einer gewissen Weise geistig sehen lernte. Später ist dann das Sakrament der Taufe [zeitlich] zurückverlegt worden, da konnte es natürlich nicht in dieser Weise vollzogen werden, da wurde es nur noch als Zeichen gemacht." (Lit.: GA 343a, S. 294)


\

Engelse versie 



Update 22-05-2013 Anna Katharina Emmerich and Judith von Halle about a baptismal island during Christ's baptism in the Jordan.

Update 22-05-2013

Anna Katharina Emmerich and Judith von Halle on a baptismal island during Christ's baptism in the Jordan.

From Anna Katharina Emmerich: The Poor Life of Our Lord Jesus Christ, pages 102-103

The baptismal island
John taught his disciples on the Jordan a teaching about the proximity of the Messiah's baptism.  He said that he had never seen him, but said, "I will show you his baptism site as a testimony. See, the waters of the Jordan will divide and an island will be created!"  At the same moment I saw the waves of the river dividing, and a small egg-shaped white island emerged with the surface of the water at the same height.  This was the place where the children of Israel went across the Jordan with the Ark of the Covenant, and it was here that Elias had shared the Jordan with his cloak.
There was great emotion among those present;  they prayed and praised.  But John and the disciples laid large stones in the water and trees and branches above them and made a bridge to the island and poured small white stones over the bridge. When it was finished, the water could rush through below.  Johannes and his disciples planted twelve little trees around the island and pulled them together in an open arbor.  Between them they put even smaller hecks, which grew a lot back and forth on the Jordan.  They had white and red flowers and yellow fruits with a crown like medlars.  It looked very nice because some were blooming, others were full of fruit.  (January 6, red.)
The submerged island, the place where the ark stood when passing through the Jordan, seemed rocky and the riverbed washed out more than in the days of Joshua;  but the water seemed much lower, so that I do not know whether the water gave way or the island rose, since John called it as Jesus' baptism site.
To the left of the bridge, not in the middle, but closer to the edge of the island, was a pit in which clear water rose.  It led down a few steps, and close to the water level was a triangular, smooth red stone on which Jesus was supposed to stand at baptism.  To the right of this stone stood a fine palm tree with fruit, which Jesus embraced with his arms at baptism.  The edge of the fountain was delicately designed and everything was beautifully worked.
The place where the Ark of the Covenant stood in the Jordan is precisely the place of Jesus' baptismal font on the island, which appeared bare from the water.
When the Israelites and Ark of the Covenant were over and the twelve stones were up, the Jordan began to flow.

from: The Mystery of Lazarus and the Three Johns, Part IV, The Jordan Baptism and the Knowledge of John the Baptist (JvH)
he announced the imminent arrival by the baptisms which he made on the people, even on the scribes.  For these were the means by which the baptized person, by submerging himself and the partial detachment of his etheric body that occurred, came to an independent perception of the spiritual world, which the person concerned could then internalize as the birthplace of his own self.  John was the one who had the most awareness of the approaching arrival of the Logos in Palestine at the turn of the times, and he helped those who came to him through his sermons and water baptisms to achieve a similar perception.
(.......)


The cosmos holds the breath of time for a moment, and it rises from the waters of the river, into which it has just climbed to prepare for the Lord's baptism, clouded by the heavenly host, revealed in light and wind, a kind  Island;  so that the water of the river divides at it and flows around the island.  At this sight, the spiritual viewer will feel displaced at the beginning of the world, because it has lifted a piece of untouched earth-land from the primeval waters of the spirit, which is pure of everything that after the fall of paradise first killed the earthly land  Blood field froze, separated from the refreshing primeval waters of the divine spirit.  Here, as if lifted from the withered material conditions, a heavenly floe rises, which is real earth at the same time.  (.......)


Just take this clearly before your soul: What unique position did the Baptist take in the Lord's baptism!  Heaven and earth were separated from each other by a human being holding the baptismal font in his hand.  And the moment the water wetted the head of Jesus for the third time, it passed through this human being like lightning.
Now the question: are the facts given here that have happened physically, or is it a supernatural vision that is made known in a sensual way?
It is January 6th, the flowering of the flower indicates an ethereal level of the show.
On the one hand, Steiner ties on that the baptismal font is completely immersed in the water.  On the other hand, it is spoken of a baptismal bowl and a stone on which the baptismal font stands and holds a palm tree.  The planted 12 trees and the 12 stones indicate a supernatural reality.  At AKE the island is first prepared and planted etc., at JvH it is created shortly before the baptism of Christ.
A characteristic of somnambulism is that supernatural and sensual perceptions are mixed together, without the viewer himself being able to judge what is right.  It can therefore be said that such views are not entirely compatible with anthroposophical research methods.  Prokofieff's book, which was much smiled by JvH-Anhaenger, deals very clearly with these facts.
St: miracle.  It is a superstition to assume that, in the ordinary course of events, what has been recognized as the lawful context
can be broken by a miracle.  So much must happen after necessary
Rules as past is in the events.  And would the gods in
break through a connection that which is lawfully inside, so
would the gods lie;  they would deny what they found times ago
to have.  163.69


(Dr. med. Helmut Kiene Institute for Applied Epistemology and Medical Methodology, Freiburg i. Brsg. and exeget of JvH) Writes as defending the following:
Baptism of Jesus

Prokofieff writes: “The baptism of Jesus, which, in accordance with all four Gospels, according to Rudolf Steiner's spiritual research and countless works of art, took place in the Jordan River, happened after Katharina von Emmerich [and v.  Halle] on an island that was wonderfully created for this purpose, with a natural pool in the middle in which baptism was carried out. ”(Prokofieff 2008, p.173) All four gospels really say that the baptism of Jesus  took place in the Jordan?  Luke and John do not say a word about the place of Jesus' baptism, and Matthew writes (3:16): “When Jesus was baptized, he immediately rose out of the water and, behold, the heavens were opened…” Mark says (1  , 9): “and was baptized by John in the Jordan.” Proko-fieff's statement that all four Gospels would testify to baptism in the Jordan is therefore incorrect.  Only two of the evangelists write about Jordan.  Incidentally, a Jordan island is also a place in the Jordan River, and even from a pool of water on such an island you can “get out of the water” (Matthew 3:16).  Matthew and Mark did not write (and Luke and John certainly did not) that Jesus was physically in the flowing water of the Jordan at the moment of baptism, nor did any of the evangelists expressly say that the baptism did not take place on an island in the Jordan  have.  - And Steiner?  Prokofieff does not cite a specific statement in this regard and probably does not exist.  - And the art tradition?  There are pictures of Jesus in the water and on dry soil (and some pictures that perhaps even indicate an island), and in many pictures the water depicted can be that of a basin.  The artistic presentations are therefore, if at all, not very suitable for clarifying the question of where exactly Jesus was at the moment of baptism. Conclusion: Von Halle's statements do not contradict the Gospels, not even Steiner.  Prokofieff's statement, however, does not agree with the actual content of the Gospel according to Luke and John.  The hooggeleerde you think you can move the door to adjust the de doubling after the dope and the water we get. 
And completely ignores the fact that both JvH and AKE clearly talk about an island rising from the water 

vrijdag 14 april 2023

Duitse citaten: Judith von Halle Behrend, gestigmatiseerd?

 In het tijdschrift  Apokalyps Nu! verschijnen 2 artikelen:


Judith von Halle Behrend, gestigmatiseerd? (deel 1)

Daarin zijn een heel aantal citaten van Duitse oorsprong zo goed mogelijk vertaald in het Nederlands.
Maar omdat het best wel moeizaam was om een goede vertaling te maken zet de auteur hier op deze website de oorspronkelijke Duitse teksten zodat eenieder deze als origineel kan nalezen.

De nummering   verwijst naar de noten in de artikelen, waar ook genoemd wordt om welke voordrachten het gaat.

Seite 25: JvH beschreibt: „Peter Tradowsky war der Erste, der das [die Stigmatisation] gesehen“ und als solches erkannt hat. „Ich habe etwas geschrieben und er saß mir so schräg gegenüber und hat dann etwas auf dem Handrücken gesehen. Das war zunächst mal so wie eine Art Bluterguss. Er sagte: das sieht aus wie ein Stigma. Das entwickelte sich dann über die nächsten zwei Wochen etwa so, dass man sagen konnte, er hatte Recht.“ JvH selbst hatte zunächst gedacht, sie habe von der handwerklichen Arbeit mit einer „Papageienzange“ an den Fliesen ihres neuen Badezimmers in der rechten Handinnenfläche einen Bluterguss bekommen. Doch „später kam dasselbe in der linken Hand und dann auf der Rückseite und an den Füßen usw. Und da war dann natürlich klar, dass es das wohl nicht sein konnte.“
noot 03 blz. 25
Offizieller Abschlußbericht der Urteils-Findungs-Kommission : http://www.tiny-mundo.de/static/pdf/abschlussbericht.pdfblz.23, 24 etc. Berlijn: http://antropocalypsearchief.blogspot.nl/2006/05/offizieller-abschlubericht-der-urteils.html ,
Sergej Prokofieff (10) schrijft daar: ""Was meines Erachtens zu einem wirklichen Problem führt, ist, dass Judith von Halle aufgrund ihrer Stigmatisation und ihrer Gesichte eine ungeheure geistige Autorität für sich beansprucht. So hat sie, kurz nachdem ihre Stigmatisation eingetreten war und sich ihre ‚Zeitreisen‘ einstellten, in einem Rundbrief vom September 2004 an die Vertreter der Arbeitszentren der Anthroposophischen Gesellschaft in Deutschland, den Vorstand der Anthroposophischen Gesellschaft in Deutschland und den Vorstand und das Hochschulkollegium am Goetheanum das Folgende mitgeteilt:
noot 10- das Goetheanum nr. 6 2009
„Schauen Sie bitte nicht mich als einen Menschen an, an dem ein schier unerklärliches Wunder wirkt. Bitte schauen Sie auf die geistigen Tatsachen, die diesem Phänomen zugrunde liegen. Jede Darstellung über die Ereignisse soll nicht meine Person in den Vordergrund rücken. Da sich diese Ereignisse an mir vollziehen, sind sie mit meinem Wesen verknüpft. Doch es ist stets Christus selbst, der Sie ganz persönlich – in Liebe – anspricht, wenn Sie sich mit diesem Stigmatisations-Ereignis auseinandersetzen, das innerhalb der Anthroposophischen Gesellschaft aufgetreten ist, indem Er durch Seine Gnade, durch die Lenkung und Stützung Ihres Karmas, Sie selbst zu Zeugen werden lässt von Seinem Gang durch die Erdenwelt, von Seiner Authentizität, von Seiner Allgegenwart.“
noot 10- das Goetheanum nr. 6 2009
Seite 35: ""Mein groesstes Anliegen ist aber hierbei, dass man bei all diesen Darstellungen nicht meine Person im Vordergrund sieht, sondern das Wesen, das sich durch die Wundmale, durch die leibliche Umwandlung offenbart.""
Seite 36: ""Es tritt zwar etwas vor Sie hin - und ich erlaube mir zu sagen, das die geistige Welt eine solche, sichbare Demonstration ihrer selbst nicht fuer die einzelne betroffene Person, sondern fuer die Umgebung dieser Person hinstellt""
seite 37: ""und bitte schenken Sie mir Glauben, wenn ich ihnen sage, das Christus Wesen spricht Sie ganz persoenlich an.""Ich will mich stets darum bemuehen, sein Wirken an mir Ihnen als Seinen Liebesimpuls fuer alle Menschen ans Herz zu legen!""
seite 57; ""Sehen Sie bitte bei all diesen Ausfuehrungen nicht meine Person im Vordergrund, sondern diejenige Wesenheit, die durch die Phaenomene hindurch wirkt. Nehmen Sie mich bitte als ein Art ""Studienmedium"". Dem Christus-Wesen darf allerdings durchaus eine heilige Ehrfurcht gegenueber walten"".....
noot 12:
JvH boek Und wäre Er nicht auferstanden: http://www.amazon.de/Und-w%C3%A4re-Er-nicht-auferstanden/dp/3037690011 en http://www.v-f-a.ch/Einzelansicht.971.0.html?&tx_ttnews%5Btt_news%5D=4&cHash=8ba632317bb279d99094845c8758b60f , Und wäre Er nicht auferstanden
Der Schlusssatz dieses Selbstzeugnisses spricht für sich. Solch ein Anspruch ist für mich das Ende der Anthroposophie. In der ganzen Geistesgeschichte haben keine Heiligen, Stigmatisierten oder Päpste derartige Ansprüche geltend gemacht.Die zitierten Worte wurden in einem zweiten Rundbrief, den Judith von Halle mitunterschrieben hat, durch eine weitere Behauptung noch verstärkt: Judith von Halle sei Trägerin des Phantoms des auferstandenen Christus. Auch diese Anmaßung wirkt auf mich so, dass dadurch jegliche freie und unabhängige Auseinandersetzung über die Inhalte ihrer späteren Schriften und Vorträge kaum möglich ist. Hierin liegt auch die Antwort auf Ihre weitere Kritik. Selbstverständlich ist unsere Anthroposophische Gesellschaft offen und für alle Strömungen da, die mit Michael und seiner übersinnlichen Schule verbunden sind – nicht jedoch für Ansprüche solcher Art. Denn durch sie kommt ein Element in die Anthroposophie herein, das eine stark suggestive Wirkung ausübt, die Freiheit der Menschen einschränkt und deshalb der Anthroposophie wesensfremd ist.""
noot 16:
Tijdreizen’ – een tegenbeeld van antroposofisch geestesonderzoek. http://home.kpn.nl/jansen-id8/tijdreizen.htmNederlandse vertaling van Perun boeken, en Duitstalig: http://www.amazon.de/%C2%ABZeitreisen%C2%BB-anthroposophischer-Geistesforschung-Anthroposophischen-Gesellschaft/dp/3723515002

Noch gäbe es allerdings eine Möglichkeit zur Korrektur: Entschuldigen Sie sich bei Frau v. Halle, distanzieren Sie sich öffentlich von dem Buch und fordern Sie den Verlag auf, es zurückzuziehen.
noot 34:
http://www.aardespiegelforum.nl/wp-content/uploads/2013/05/open-brief-aan-Prokofjieff.pdf en voor het geval de link niet meer werkt: http://antropocalypsearchief.blogspot.nl/2014/03/strijdschrift-tegen-prokofieff-ivm-jvh.html ,http://www.aardespiegelforum.nl/berichten/open-brief-aan-s-prokofjieff/
Steiner; Katharina Emmerich von Clemens Brentano?- Darin sind Gesichte einer ausserordentlich guten Somnambule wiedergegeben. Namentlich sind es die Teile, die sich beziehen auf das Spiegelsehen, darin ist unzweifelhaft ausserordentlich Richtiges.-
noot 48:
Steiners uitspraak over AKE en somnambulisme ; (GA 106 14-9-1908 Aegyptische Mythen und Mysterien, vragenbeantwoording archief) . Aangezien de vragen niet aansloten bij de lezing is deze quote niet bij betreffende voordracht afgedrukt, echter wel in het archief met vragenbeantwoordingen, daar is het voor iedereen toegankelijk en in te zien.
Aus diesen Zeugnissen wird verständlich, warum ihr Arzt Dr. F. W. Wesener über Anna Katharina Emmerick sagte: „[Ihre] inneren Schauungen haben mit dem Somnambulismus und der magischen Clairvoyance nichts gemein“ und warum die durchweg unbelegten und unbelegbaren Behauptungen des Autors Sergej O. Prokofieff eine tragische Diskriminierung und Diffamierung sowohl der anthroposophischen Forschungsmethode wie auch dieser großen Individualität darstellen, die in der vorliegenden Schrift schon durch die Wiedergabe der für sich sprechenden Original-Zeugnisse ihre dringend notwendige Rehabilitation erfahren. (50)
"Sie war ohne Zweifel eine Eingeweihte hohen Ranges." (50 blz. 286)
 noot 50:
Anna Katharina Emmerick: Eine Rehabilitation, van JvH , http://www.amazon.de/Anna-Katharina-Emmerick-Eine-Rehabilitation/dp/3037690437/ref=sr_1_14?s=books&ie=UTF8&qid=1394295450&sr=1-14
Die Folge davon ist, daß solche Wesen ( Somnambulen) eigentlich weniger Rücksicht nehmen auf ihren physischen Leib, als der normale Bürger auf seinen physischen Leib Rücksicht nimmt. Durch dieses Nicht-voll-Ergreifen des physischen Leibes erleben sie das Geistige auf der Erde, während sie in der geistigen Welt selber das Geistige nicht genügend erlebt haben. (51)
noot 51: GA 225. 23. September 1923 Jakob Böhme, Paracelsus, Swedenborg.
Während sonst der Mensch im normalen Leben nur durch seine Sinne mit der Umwelt in Berührung steht, kommt beim Somnambulen und beim Medium der ganze Mensch durch seinen Willensmechanismus mit der Umwelt in Beziehung. Dadurch können Fernwirkungen eintreten, es können auch räumliche und zeitliche Ferngesichteauftreten und so weiter. (52) 

noot 52: GA 67 ,21. März 1918
Wir haben es bei Swedenborg zu tun mit einem- auf dem Wege, auf dem er einmal war - außerordentlich ausgeprägten und vorgeschrittenen Hellseher. (53)

noot 53:
GA 253 een voordrachtenreeks die bijna geheel gewijd is aan Swedenborg en de gevaren van visionaire helderziendheid.Elders onthult Steiner dat Swedenborg een incarnatie van Ignatius van loyola is, de stichter van de jezuïetenorde. GA 240, 24-8-1924, ook GA 346, 9. September 1924, zie ook: http://www.perseus.ch/PDF-Europaer/JG_10/Europaer_02_2005.pdf
Also Swedenborg nimmt geistige Objekte wahr, die ihm in Form vonImaginationen gegeben werden, genau so als wenn die geistige Weltnichts anderes wäre als nur eine feinere Ausgestaltung der physischenWelt. Er sieht die geistige Welt so an, wie man im normalen Leben die physische Welt ansieht. (53)

idem noot 53
Was wir erinnern, erdenken und kombinieren, tritt im somnambulen Zustande unmittelbar auf als eine Erscheinung, welche hergeleitet wird von der äußeren Natur, von dem, was außer uns lebt. (54)

noot 54:  GA 52. Theosophie und Somnambulismus , 7. März 1904

Dasjenige, was eine somnambule Persönlichkeit sehen kann mit Ausschaltung des hellen Tagesbewußtseins, ist oftmals dasselbe, was der Hellseher bei seinem vollenTagesbewußtsein sieht. Aber die Somnambule kann dafür dasjenige, was sie sieht, niemals kontrollieren. Sie kann nicht einmal kontrollieren, ob dasjenige, was sie wahrnimmt, wirklich Wahrheit ist, so wie sie es wahrnimmt. 
noot 54: GA 52. Theosophie und Somnambulismus , 7. März 1904
«Wenn immer wieder die Tendenz auftritt, den freien Willen zu binden und zu fesseln
an das Gebiet des visionären Hellsehens, so ist das ein Zeichen, daß im Grunde
genommen den klaren Bestrebungen innerhalb unserer Bewegung Widerstand geleistet
worden ist aus der Liebe zu der Bindung des freien Willens in das visionäre Hellsehen
hinein. Wie froh waren manche, wenn sie diesen freien Willen nur binden konnten! Das
zeigte sich daran, wieviel von denjenigen Bewegungen, die ich gekennzeichnet habe, von
außen hereingetragen worden ist in unsere Bewegung. Nicht von Blavatsky und nicht von
außen, sondern durch unsere Mitglieder selber wurde beständig Bresche geschlagen in
das, was erreicht werden sollte. Und das geschah und geschieht dadurch, daß man
immer wieder bewundert, was von visionären Hellsehern herangebracht wird! Wenn man
bewunderte, was von visionären Hellsehern herangebracht wurde, dann war das ein
solches Brescheschlagen, und dann war das ein Ausdruck der perversen Liebe zur achten Sphäre.» (55) 

noot 55: 
GA 254, 18-10-1915 , Het is hier niet de plaats om in te gaan op de door Steiner genoemde 8e sfeer. In een toekomstig artikel (over singulariteit) zal daar aandacht aan geschonken worden.

Auch der Meister Eckhart läßt darüber keinen Zweifel, daß er die Anschauung ablehnt, die in körperlich räumlichen Gebilden, in Erscheinungen, die man wie sinnliche wahrnehmen kann, das Geistige schauen will. (56)

noot 56:  GA 7
–Nehmen Sie den gröbsten Fall: Jemand wird veranlaßt, eine Vision zu haben. Statt nun mit dieser Vision ruhig zu bleiben und sie innerlich anzuschauen, wendet er sie irgendwie, während sie nur auf die geistige Welt anzuwenden ist, auf die physische Welt an und verhält sich danach mit seinem Leib.Das heißt, er fängt an zu toben,weil die Vision seinen Leib durchdringt, durchkraftet, was sie nicht sollte. Da haben Sie den gröbsten Fall. Die Vision sollte stehenbleiben innerhalb der Region, in der die Vision lebt, und das tut sie nicht, wenn sie heute als atavistische Vision nicht ertragen wird von dem physischen Leib. Wenn der physische Leib zu schwach ist, um aufzukommen gegen die Vision, dann tritt Kraftlosigkeit ein. Wenn der physische Leib stark genug ist, um gegen sie aufzukommen, dann schwächt er die Vision ab. Sie hat dann nicht jenen Charakter, durch den sie einem vorlügt, sie wäre etwas gleich einem Dinge oder Vorgang in der Sinneswelt; denn das lügt ja die Vision demjenigen vor, der dadurch krankhaft wird. (57)
noot 57: GA170, 15. August 191
Man sieht, daß das Halluzinieren, das visionäre Erleben ebensowie die anderen Zustände durchaus an den physischen Leib und an den Ätherleib des Menschen gebunden sind, daß sie also nur Erlebnisse darstellen können,.. (58)
noot 58: GA 79, 29. November 1921
Mit diesem hängt zusammen, daß bei dem Eintritt des visionären Hellsehens bei der Frau die große Gefahr vorhanden ist dann, wenn dieses visionäre Hellsehen in Form von Imaginationen auftritt, denn da kann sehr leicht eine Gefahr lauern, in Irrtum zu verfallen. (59)
noot 59: GA 272 , 16. August 1915
Gegenwärtig muß der Mensch sich vor einem zu starken Auftreten einer visionären Schau beim Eintreten in die geistige Welt mehr fürchten, als sie willkommen heißen. Es können, wenn wir unsere Übungen beginnen zum Aufsteigen in die höheren Welten, visionäre Erscheinungen, visionäre Tatsachen auf den Menschen eindringen. Und es gibt nur eine einzige Möglichkeit in der gegenwärtigen Zeit, gegenüberder visionären Welt den Irrtum zu vermeiden. Diese einzige Möglichkeit ist die Notwendigkeit, von seinen Visionen zuerst sich zu sagen, man erkennt durch diese Visionen zunächst nichts anderes als sich selber. Wenn eine ganze visionäre Welt um uns herum auftritt, so braucht diese nichts anderes zu sein als eine Spiegelung unseres eigenen Wesens. Unsere Eigenschaften, unsere eigene Reife, alles dasjenige,was wir denken und fühlen, verwandelt sich in der visionären Welt in Tatsachen, die für uns wie eine objektive Welt aussehen. Wenn wir zum Beispiel glauben, in der astralischen Welt Wesenheiten oder Vorgänge zu sehen, die uns völlig objektiv erscheinen, so braucht das nichts anderes zu sein als eine Spiegelung, sagen wir zum Beispiel, irgendeiner unserer Tugenden oder Untugenden oder auch nur unseres Kopfschmerzes. Derjenige, der zur wirklichen Initiation aufsteigen will, muß insbesondere heute dazu gelangen, das, was ihm in der visionären Welt entgegentritt, denkend zu begreifen, denkend zu durchdringen. Der zu Initiierende wird daher nicht eher ruhen, als bis er dasjenige, was ihm in der visionären Welt entgegentritt, so begriffen hat wie das, was ihm in der physischen Welt entgegentritt. (60)-
noot 60: GA 140, 26. Oktober 1912
Es tritt auf irgendeiner Stufe die Möglichkeit auf, sagen wir, Visionen zu haben, Gestalten vor sich zu sehen, die durchaus etwas Neues sind gegenüber dem, was man sonst durch die Lebenserfahrungen kennengelernt hat. Das kann auftreten. Wenn man nun aber die Vorstellung haben sollte, daß das schon die Dinge sein müßten der höheren Welten,so würde man sich einem schweren Irrtum hingeben. Diese Dinge stellen sich nicht so dar, wie sich für das gewöhnliche Bewußtsein die Dinge des inneren Lebens darstellen. Wenn man in die Tiefen, die wir die verborgenen Seelentiefen nennen, hinuntersteigt, dann kann man durchaus nur in sich selbst sein, und dennoch kann das,was einem entgegentritt, sich so hinstellen, als wenn es außer uns wäre.(61)
noot 61: GA143 25. Februar 1912
Der Geistesforscher ... kann so sprechen, daß der Mensch aus dem gesunden Menschenverstand heraus die Art und Weise verfolgen kann, wie er seine Gedankengänge aufbaut, die er allerdings aus der geistigen Anschauung heraus aufbaut, denen man es aber anmerken kann, daß sie dieselbe innere Logik haben, die wir an der äußeren sinnlichen Wirklichkeit erlernen. Daher kann der gesunde Menschenverstand ... darüber urteilen, ob der Geistesforscher Unsinn spricht oder ob der Geistesforscher durch die Art und Weise, wie er spricht, erkennen läßt, daß ihm die geistige Welt wirklich offen ist, daß er in sie hineinschaut.(62)
noot 62: GA 297, 25. November 1919
Der gesunde Menschenverstand, der nicht irregeleitet ist durch irrtümliche natürliche oder soziale Ideen von heute, der kann von sich aus entscheiden, ob Wahrheitsduktus waltet in dem, was irgendjemand spricht. Irgendjemand spricht von geistigen Welten: man muss nur alles zusammen nehmen, die Art, wie gesprochen wird, der Ernst, in dem die Dinge aufgefasst werden, die Logik, die entfaltet wird und so weiter, dann wird man sich ein Urteil darüber aneignen können, ob dasjenige, was als Kunde von der geistigen Welt gebracht wird, Scharlatanismus ist, oder ob es einen Fond hat. Dieses kann jeder entscheiden. (63)
noot 63: GA 194 14.12.1919
Heute kann ja das so geschehen, daß der Mensch sich sagt: Ach was, gesunder Menschenverstand! – Den muß man aber mindestens anstrengen, wenn man die geistige Welt erfassen will! Diese Anstrengung lieben die Menschen nicht; sie lieben es mehr, auf Autoritätsglauben hin das oder jenes anzuerkennen. Gesunden Menschenverstand lieben heute die Menschen wirklich viel weniger, als sie glauben, und da möchten sie gewissermaßen diesen Gebrauch des gesunden Menschenverstandes umgehen und möchten, was ihnen leichter dünkt, wenn auch vielleicht das Urteil unbewußt gefällt wird, durch allerlei Brüten, das sie dann Meditation nennen und dergleichen, in die geistige Welt direkt eindringen. (64)
noot 64: GA 188-10.1.1919.
Wir müssen in die Lage kommen, zwar die Autorität schaffen zu lassen, aber die Autorität beurteilen zu können. Das lernen wir ... dadurch, daß wir uns aus etwas, was umfassend unseren Verstand, unsere Urteilskraft bilden kann, heraus die Möglichkeit eines Urteils aneignen. ... Die von dem anderen Wissenschaftlichen verschiedene Art des Begriffebildens, des Vorstellungbildens, die notwendig ist für die Geisteswissenschaft, die befähigt uns nicht, eine Autorität auf diesem oder jenem Gebiete zu werden, aber urteilsfähig zu werden. ... Wir werden nicht dasjenige wissen, was die Autorität wissen kann; aber wenn die Autorität etwas weiß und im einzelnen Falle dies oder jenes tut, werden wir fähig sein, es zu beurteilen. Dies müssen wir besonders betonen als etwas, was durch die Geisteswissenschaft gebracht werden muß, daß sie nicht nur die Menschen belehrt, sondern die Menschen in dieser Beziehung urteilsfähig macht, das heißt, ihnen erst die Möglichkeit der Gedankenfreiheit gibt, die Gedankenunabhängigkeit erst in ihnen fördert.(65)
noot 65: GA 168-10.10.1916.
Und nur weil der Mensch gewohnt ist, mit seinen Begriffen nur an die gewöhnlichen Sinnesdinge heranzutreten, deshalb glaubt er, daß ihm die gewöhnliche Urteilsfähigkeit entschwindet, wenn ihm die übersinnlichen Tatsachen vorgehalten werden. Wer aber seine Denkmöglichkeiten entwickelt, der kann sie so ausbilden, daß sie erfassen können, was durch die Geistesforschung zutage gefördert wird. (66)
noot 66: GA 62-6.3.1913, Irrtümer der Geistesforschung.

Die Grundbedingung des esoterischen Lebens ist Wahrhaftigkeit, Fleiß und Ausdauer. Deshalb müssen wir wahr sein in jedem Augenblick unseres Lebens. Und dazu gehört auch, daß wir nicht die Wahrheit unterdrücken, indem wir nichts dagegen sagen wollen, wenn eine Persönlichkeit einen Irrtum begeht, nur weil es gerade diese Persönlichkeit ist. Zu etwas, was wir als Irrtum erkennen können, erkennen müssen, dürfen wir nicht schweigen. (67)
noot 67: GA 266b-20.9.1912, Gedächtnisnotiz einer Esoterischen Stunde.
... müssen wir als höchstes, heiligstes Gut, das wir haben, immer die Wahrhaftigkeit pflegen, niemals Konzessionen machen, die gegen die Wahrheit verstoßen, denn an der Wahrheit darf sich der Esoteriker nie versündigen. Es ist schrecklich und schwerwiegend, wenn ein Esoteriker die Wahrheit um der Brüderlichkeit willen verdreht, wenn er, um einen Menschen nicht zu kränken, die Wahrheit auch nur im Geringsten trübt, denn er schadet auch dem betreffenden Menschen damit. ... Wenn wir auch die Taten eines Menschen verurteilen müssen, den Menschen selber sollen wir nicht kritisieren, sondern ihn lieben. (68)
noot 68: GA 264-20.9.1912, Gedächtnisnotizen von Mathilde Scholl.

Und weil man in dem Augenblick, wo man von der Sinneswelt absiet, wo man auch von dem Verstande, der an das Gehirn gebunden ist, absieht, diese imaginative Welt als etwas Wirkliches vor sich hat, gleichgültig, ob sie etwas Reales ausdrückt oder ob sie nur das Spiegelbild des eigenen Wesens dessen ist, der sie hat, so wird, wer nicht richtig durch Wahrhaftigkeit vorbereitet ist, eben auch eine „imaginative Welt“ vor sich haben, weil sie ihm vorgaukelt, eine richtige zu sein und doch nur das Spiegelbild der eigenen Seele, seines eigenen Inneren ist. (69)
noot 69: GA 62-3.4.1913, Die Moral im Lichte der Geistesforschung.
Jeder kann das, was Geisteswissenschaft gibt, wirklich verstehen und begreifen. Diejenigen, die sagen, man müsse glauben, man könne nicht begreifen, was in der Geisteswissenschaft gegeben wird, die reden, ohne zu wissen, wie die Dinge wirklich sind.
Wenn uns in unserer Zeit Menschen entgegentreten, die nicht durchgehen durch das geistige denkerische Verständnis, sondern die wie von selbst heraufkommend gewisse psychische, seelische Fähigkeiten zeigen, so sollen wir uns auch nicht beirren lassen durch solche Tatsachen.
Verstehen wir die ganze Mission der Geisteswissenschaft, so wissen wir, daß die Seelen, die heute denken, deshalb denken können, weil das Hellsehen der früheren Zeiten zurückgedrängt worden ist. Wenn solche Menschen auftreten, die von selber das Hellsehen haben, die es nicht erworben haben, so sollen wir in ihnen Menschen sehen, die auf einer früheren Stufe zurückgeblieben sind, und die heute in einer solchen Gesellschaft eher gehegt und gepflegt werden müssen, als daß man sie als besonders vollkommen ansehen dürfte.
Falsch ist das Urteil, das jemand haben würde, der so sagen würde: Da ist jemand, bei dem dämmern die Hellseherkräfte auf, der ist eine besonders reife Seele, der hat besonders hohe Inkarnationen durchgemacht. - Ein solcher Mensch, der wie durch Naturgabe hellsichtige Kräfte hat, der hat viel weniger durchgemacht als derjenige, der ein Denker ist, heute...............................

noot 70a:GA 154 5. Mai 1914, Ausschluß eines Mitgliedes und die Begründung dieses Vorgehens.
, …........daß unsere Gesellschaft die Pflegestätte sein könnte auch für noch hellseherisch wirkende psychische Kräfte, daß dieses Mitglied gerade da das Wirkungsfeld finden konnte, wo es gleich wirken konnte wie ein Prophet...................(70b)
noot 70b GA 154 5. Mai 1914, Ausschluß eines Mitgliedes und die Begründung dieses Vorgehens.

, …...........weil unsere Gesellschaft gerade in das Gegenteil von dem verwandelt würde, was sie sein soll, wenn wir nicht mit aller Sorgfalt immer hinweisen würden auf diesen Psychismus, der sich nicht durchdringen will mit wahrer Geisteskraft, die doch die wahre Kraft des Christus ist. Nicht das Psychische, sondern der Christus in mir muß wirken.(70c)
noot 70c GA 154 5. Mai 1914, Ausschluß eines Mitgliedes und die Begründung dieses Vorgehens.

Die obengeschilderte Wahrnehmungsart ist als Folge vorheriger Leben bereits in fruehen Jahren vorhanden gewesen, ohne dass in dieser Inkarnation der beschwerliche Weg eines Eremiten mit allerlei Kestêiungen und Entsagungen meinen spirituellen Mitteilungen vorangegangen wáre.“(71)
noot 71:
Deze mededeling over het feit dat ze in dit leven geen scholing doorlopen heeft staat in bijna elke inleiding of voorwoord van haar boeken.

Von Kindheit an ist Judith von Halle die Fähigkeit eigen, mit Bewusstsein in beiden Welten zu leben; in der Welt des gewöhnlichen Tagesbewusstseins, sowie in derjenigen, die Rudolf Steiner als die geistige Welt bezeichnet.(73)
noot 73: noot 1 abschlussbericht blz. 32

Rudolf Steiner welcher vom geistigen Plan aus das Ereignis des Christus Mysteriums mitverfolgt hatte und so im weit greifendem geistigen Ueberblick mit diesem verbunden war, verband seine Erkenntnisforschung mit den handwerklichen Faehigkeiten einer Individualtaet, die waehrend des Mysteriums von Golgotha verkoerpert gewesen und somit physisch in der Lage war, in der Gruppe mit Haenden umzusetzen was ihre Seele dazumal ergriffen hatte durch den sinnlichen Anblick des Erloesers. (79)
noot 79: In haar boek, die Holzplastik, blz.70
-gesetzt den Fall, es handelt sich bei der unveroeffentlichen, nicht verifizierten Notiz tatsaechlich um eine Aussage Rudolf Steiners – zu eben jener Gruppe von Somnambulen gehoert, auf welche die von Segej Prokofieff zitierte Definition gerade nicht zutrifft. (81)

noot 81: Noot 50 blz. 31
Gewiß, damit beschreibt Swedenborg die Welt der Imagination in einer ganz zutreffenden Weise; aber beurteilen kann er sie nicht, weil er über die ganze geistige Welt eben den Schleier seiner Gewohnheiten von der physischen Welt her wirft. Und so kommt es, daß ihm alle Wesen der geistigen Welten nur dasjenige zeigen, was sie auch einkleiden können und wollen in die Form der Imaginationen, die man von den Anschauungen der physischen Welt mitbringt. Das heißt, Swedenborg sieht nur so viel von der geistigen Welt, als ihm in seine von den Gewohnheiten der physischen Welt angekränkelten Imaginationen eingekleidet wird. Gewiß sieht er darinnen hochgeistige, bedeutende geistige Wesenheiten, aber eben immer in dem Kleid, das nicht ihr eigenes ist, sondern ihnen übergeworfen wird von ihm selber. (82)
noot 82: zie noot 53
So also sehen wir gerade an einer so bedeutsamen Persönlichkeit wie Swedenborg, daß das Aufsteigen in die geistigen Welten ohne das Durchdrungensein mit dem wirklichen Herausgehen aus dem Physischen-Plan-Bewußtsein zu Illusionen führt. Man bekommt nur eine illusionäre Welt. Und Sie können nun, meine lieben Freunde, die ganze vorliegende Literatur von Sehern durchgehen und deren Beschreibungen von der geistigen Welt lesen, so werden Sie zumeist lauter solche Illusionen lesen. Man darf sich nicht täuschen lassen von diesen Illusionen; denn sich täuschen lassen von den Illusionen an der Schwelle zur geistigen Welt ist viel schlimmer, als sich täuschen zu lassen von den Täuschungen der physischen Welt. (82)
noot 82:  zie noot 53

noot 84: GA 109 15. Februar 1909

Abbilder des Ätherleibes von Christus.Es gab in der Zeit vom 4. bis zum 12. Jahrhundert eine große Anzahl von Menschen, denen gegenüber es höchst töricht erschienen wäre, wenn man ihnen gesagt hätte, man könne an den Ereignissen von Palästina auch zweifeln, denn sie wußten es besser. Besonders über europäische Länder waren diese Menschen verbreitet. Sie hatten in sich selber immer erleben können etwas, was eine Art Paulus-Offenbarung im kleinen war, was Paulus, der bis dahin ein Saulus war, auf dem Wege nach Damaskus erfahren hat, und wodurch er ein Paulus wurde. Das war dadurch möglich, daß in diesen Jahrhunderten die Abbilder des vervielfältigten Ätherleibes des Jesus von Nazareth, die aufbewahrt worden waren, einer großen Anzahl von Menschen einverwoben worden sind. Ihr Ätherleib bestand nicht ausschließlich aus diesem Abbild, aber es war ihrem Ätherleib einverwoben ein Abbild des ursprünglichen Originals des Jesus von Nazareth. Diese Menschen konnten dadurch unmittelbar ein Wissen haben von dem Jesus von Nazareth und auch von dem Christus, zum Beispiel der Dichter des Heliand im 9. Jahrhundert. (84) 

Abbilder des Astralleibes, der Empfindungsseele des Christus. In den späteren Jahrhunderten vom 12. bis 15. Jahrhundert, da war es besonders der Astralleib des Jesus von Nazareth, der in zahlreichen Abbildern einverwoben wurde den astralischen Leibern der wichtigsten Trägern des Christentums. Beispiele: Franz von Assisi; Elisabeth von Thüringen. (84) 

Abbilder des Astralleibes, der Bewußtseinsseele von Christus. Bei denen, welchen wiederum mehr eingeprägt war die Bewußtseinsseele, beziehungsweise das Abbild, das sich als Bewußtseinsseele des Jesus von Nazareth auslebt, leuchtete in ihrem Inneren ihnen der innere Christus auf,. Das waren die, die Sie kennen als Meister Eckart, Johannes Tauler und die ganzen Träger der mittelalterlichen Mystik. (84)

noot 89:  GA 109, 07-03-1909

Abbilder des Christus-Ich. Als nun der Christus in dem Jesus von Nazareth sich
verkörperte, wurde in dem Astralleibe des Jesus von Nazareth etwas wie ein Abdruck des Ich geschaffen. Wir können uns leicht vorstellen, wenn dies die Christus-Wesenheit ist, die in den Astralleib sich hineinbegibt, daß dann in den umliegenden Partien des Astralleibes etwas wie ein Abbild entsteht. Dieses Abbild des Ich von dem Christus Jesus hatte nun zahlreiche Vervielfältigungen hervorgerufen, die in der geistigen Welt sozusagen aufbewahrt blieben. Einzelne hatten in ihrem eigenen Ich gleichsam als Propheten einer neuen Zeit etwas einverwoben erhalten, so zum Beispiel einige der deutschen Mystiker, die deshalb den inneren Christus mit solcher Inbrunst verkündeten, weil sich etwas wie ein Abbild des Ich des Christus in ihnen verkörpert hat. Erst die Menschen, welche nach und nach sich vorbereiten zum vollen Christus-Verständnis, die durch die Erkenntnis der spirituellen Welten verstehen werden, was der Christus ist, indem er von Zeit zu Zeit, sich wandelnd, immer wieder sich findet im Fortgang der Erdentwickelung, die werden nach und nach reif, dieses Christus-Erlebnis in sich zu haben, sozusagen die wartenden Abbilder des Christus-Ich, das der Christus im Leibe des Jesus durch einen Abdruck gebildet hat, dieses Ich aufzunehmen. Ja, es warten diese geprägten Abbilder der Christus Jesus-Individualität, daß sie aufgenommen werden von den Seelen, sie warten!(89) 

verkörperte, wurde in dem Astralleibe des Jesus von Nazareth etwas wie ein Abdruck des Ich geschaffen. Wir können uns leicht vorstellen, wenn dies die Christus-Wesenheit ist, die in den Astralleib sich hineinbegibt, daß dann in den umliegenden Partien des Astralleibes etwas wie ein Abbild entsteht. Dieses Abbild des Ich von dem Christus Jesus hatte nun zahlreiche Vervielfältigungen hervorgerufen, die in der geistigen Welt sozusagen aufbewahrt blieben. Einzelne hatten in ihrem eigenen Ich gleichsam als Propheten einer neuen Zeit etwas einverwoben erhalten, so zum Beispiel einige der deutschen Mystiker, die deshalb den inneren Christus mit solcher Inbrunst verkündeten, weil sich etwas wie ein Abbild des Ich des Christus in ihnen verkörpert hat. Erst die Menschen, welche nach und nach sich vorbereiten zum vollen Christus-Verständnis, die durch die Erkenntnis der spirituellen Welten verstehen werden, was der Christus ist, indem er von Zeit zu Zeit, sich wandelnd, immer wieder sich findet im Fortgang der Erdentwickelung, die werden nach und nach reif, dieses Christus-Erlebnis in sich zu haben, sozusagen die wartenden Abbilder des Christus-Ich, das der Christus im Leibe des Jesus durch einen Abdruck gebildet hat, dieses Ich aufzunehmen. Ja, es warten diese geprägten Abbilder der Christus Jesus-Individualität, daß sie aufgenommen werden von den Seelen, sie warten!(89) 


noot 91:  GA 109, 31-3-1909

Der Mensch, in welchem am deutlichsten ein derartiges Anteilhaben am ätherischen Leib des Christus zutage tritt, ist Augustinus. Dieser Tatsache ist die große Bedeutung seines Lebens zuzuschreiben. Vom 10.bis ungefähr zum 16. Jahrhundert wird der Astralleib des Christus einverleibt. Dem verdanken wir die Erscheinung von Menschen, wieder heilige Frans von Assisi und der großen Dominikaner voller Demut und Tugend, die eben die großen astralischen Eigenschaften des Christus widerspiegeln. Daher hatten sie ein so klares Bild der großen Wahrheiten in sich, die sie in ihrem Leben übten, im Gegensatz zu Augustinus, der nie frei blieb von Zweifeln und immer in Streit geriet zwischen der Theorie und der Praxis. Von den großen Dominikanern soll besonders genannt werden der heilige Thomas, in dem der Einfluß von dem astralischen Leib des Christus sich in hohem Maße zeigte, wie wir später noch sehen werden. Mit dem 16. Jahrhundert fängt die Zeit an, in der sich bereitfinden, sich in das Ich einzelner Individualitäten zu verweben die Abbilder des Christus-Ich. Einer dieser war eben Christian Rosenkreutz, der erste Rosenkreuzer. Dieser Tatsache verdanken wir es eben, daß eine innigere Verbindung mit dem Christus möglich wurde, wie uns das die esoterische Lehre offenbart. (91)
noot 92 GA 109, 31-3-1909

Als aber der Christus die sinnliche Welt verließ, entstanden unzählige Wiederholungen von seinem Äther- und Astralleibe, die dazu bestimmt waren, hineinverwoben zu werden in die Leiber derjenigen, die geeignet waren, das Christentum zu verbreiten. Einer von diesen war Augustinus, der, als er beim Hinuntersteigen zum physischen Dasein, um sich wiederum zu verkörpern, sich einen neuen Ätherleib bilden wollte, eben in seinen Ätherleib eine von diesen Wiederholungen des Ätherleibes des Christus einverwoben bekam. So kam er dazu, in sichselbst die Quellen von seiner Lehre über die wahre Form der christlichen Mystik zu finden. Aber weil er nur den Ätherleib des Christus in sich hatte, war sein Ich dem Irrtum unterworfen und konnte er der Spielball der Leidenschaften werden. So aber entwickelte Augustinus sein Ich, verfiel aber auch in Irrtümer und machte alle Stadien des Zweifels in bezug auf die Lehre Christi durch. Es war bei ihm wie ein höherer Materialismus; denn auch damals bestand schon der Fehler, alles vermaterialisieren zu wollen. (92)
noot 93: GA 109, 31-3-1909

Und im 11., 12., 13., 14. und 15. Jahrhundert war die Zeit gekommen,wo bei der Verkörperung gewisser Seelen verwoben wurde inden Astralleib ein Abbild des Astralleibes des Jesus von Nazareth.Viele Menschen des 11., 12., 13.,Jahrhunderts bekamen nicht bloß den Astralleib beim Heruntersteigen, sondern während sich ihr Astralleibbei der Wiederverkörperung bildete, wob sich ein in diesen Astralleib ein Abbild des Astralleibes des Jesus von Nazareth. Daher konnten diese Leute die großen christlichen Wahrheiten verkündigen. Denn sie hatten in ihren Astralleib, aus dem ihr Wissen entsprungen ist, einverwoben das, was Abbild war des Astralleibes des Jesus von Nazareth selber. Unter denen aber, die in sich verwoben hatten ein solches Abbild des Astralleibes des Jesus von Nazareth, war Franz von Assisi. Es waren in der damaligen Zeit viele, unter andern Elisabeth von Thüringen, die hatten eingewoben [in ihren Astralleib} ein Abbild des Astralleibes des Jesus von Nazareth. Daher konnten sie die großen Wahrheiten des Christentums als Urteil, als logische Erkenntnis,als wissenschaftliche Weisheit verkündigen. Aber sie konnten noch etwas anderes: Sie konnten in sich erleben, was man fühlen kann, wenn man den Astralleib des Jesus von Nazareth selbst in sich trägt. Nun lassen Sie auf sich wirken all die Demut, das Hingebungsvolle, das christlich Liebende in dem Franz von Assisi, und es wird Ihnen wie Schuppen von den Augen fallen. Und Sie werden verstehen, wie Sie Franz von Assisi begreifen können: in allen seinen Irrtümern, weil er sein Ich für sich hatte; in all seinem Großen, da er ein Abbild in sich trug des Astralleibes des Jesus von Nazareth. (93)
noot 95: GA 137, 6-6-1912

Zu Franz von Assisi (1182-1226): „Wenn wir uns fragen: Wer war denn eigentlich der erste richtige Materialist, der dem Materialismus den allerersten Anstoß gegeben hat, dann bekommen wir, wenn wir die Geschichte von einem etwas höheren Gesichtspunkte aus betrachten, eine Antwort, die ganz gewiss dem heutigen Menschen selbstverständlich paradox klingen wird, aber ... voll berechtigt ist; wir bekommen die Antwort, dass der erste,der seelisch das materielle Fühlen einleitete, der Heilige Franz von Assisi ist.“ (95)

noot 96: GA 13 der Weltentwickelung und der Mensch

(Schon) während der Saturnentwickelunghat sich der erste Keim zu dem entwickelt, was auch im gegenwärtigen Menschenerst keimhaft ist, zum Atma. (96)


noot 97: GA 97 , 15-2-1906

Den inneren tiefsten Wesenskerndes Menschen nennen wir Atma oder den Geistesmenschen. Er ist bei der Mehrzahlder Menschen heute noch nicht einmal für einen seelischen (hellseherischen) Blicksichtbar. (97) 


noot 98: GA 131, 11. Oktober 1911

Durch das ‘Mysterium von Golgatha ist eingetreten, daß dieser eine Mensch, derder Träger des Christus war, einen solchen Tod durchgemacht hat, daß nach drei Tagendasjenige, was am Menschen das eigentlich Sterbliche des physischen Leibes ist,verschwinden mußte und aus dem Grabe sich erhob jener Leib, der der Kräfteträgerder physisch-materiellen Teile ist. Das, was eigentlich dem Menschen zugedacht warvon den Beherrschern von Saturn, Sonne und Mond, das hat sich erhoben ausdem Grabe: das reine Phantom des physischen Leibes, mit allen Eigenschaften desphysischen Leibes. (98) 

Ebenso wie von dem Leibe des Adam abstammen die Leiber der Erdenmenschen,insofern sie den zerfallenden Leib haben, so stammen ab von dem, was ausdem Grabe auferstand, die geistigen Leiber, die Phantome für alle Menschen. Und esist möglich, jene Beziehung zu dem Christus herzustellen, durch welche der Erdenmenschseinem sonst zerfallenden physischen Leib einfügt dieses Phantom, dasaus dem Grabe von Golgatha auferstanden ist. Es ist möglich, daß der Mensch in seinerOrganisation jene Kräfte, die damals auferstanden sind, so erhält, wie er durchseine physische Organisation im Erdenanfang infolge der luziferischen Kräfte dieAdamorganisation erhalten hat. (98)


noot 101: JvH- das Abendmahl nawoord

 Als ich eine Weile auf die fremde Illustration schaute, mußte ich feststellen, daß ich unsicher wurde in bezug auf die tatsächliche Konstruktion des Säulenganges. Ich schlug in meinem alten Notizbuch nach und fand, daß ich direkt nach dem ersten Erleben des Abendmahl-Geschehens eine Skizze angefertigt hatte, in der der Säulengang ebenfalls gemauerte Bögen trug. Hieran ist zu erkennen, was gemeint ist, wenn ich in meinen Darlegungen dann und wann von meinen  “Erinnerungen “spreche. Die sinnlichen Gegebenheiten während der Zeitenwende werden zu einer bestimmten Stunde durchlebt. Dabei macht das eigene Wesen Wahrnehmungen. Zu einer anderen Stunde, wenn die Wahrnehmung wieder allein die Gegenwart erfaßt, muß man sich der Erinnerung bedienen, um die Wahrnehmungen der Vergangenheit in die Gegenwart hineinzuholen. Dabei geht offenbar so manches Detail verloren. Es muß also das richtige Detail des Säulenganges zu einem anderen Zeitpunkt noch einmal überprüft werden. (101)

noot 106: GA163, 29-8-1915 en in GA 143 dd 17-2-1912
SteinerWunder. Es ist ein Aberglaube, anzunehmen, daß in dem gewöhnlichen Gang der Ereignisse dasjenige, was man als den gesetzmäßigen Zusammenhang erkannt hat,
durch ein Wunder durchbrochen werden könne. Soviel muß geschehen nach notwendigen
Regeln, als Vergangenes in den Ereignissen ist. Und würden die Götter in
einem Zusammenhang dasjenige durchbrechen, was gesetzmäßig drinnen ist, so
würden die Götter lügen; sie würden ableugnen das, was sie vor Zeiten festgestellt
haben. (106)

durch ein Wunder durchbrochen werden könne. Soviel muß geschehen nach notwendigenRegeln, als Vergangenes in den Ereignissen ist. Und würden die Götter ineinem Zusammenhang dasjenige durchbrechen, was gesetzmäßig drinnen ist, sowürden die Götter lügen; sie würden ableugnen das, was sie vor Zeiten festgestellthaben. (106)

noot 114: GA 131, 14-10-1911

Wenn wir aber anfangen, es bis in unseren physischenLeib zu spüren – die Füße wie von Wasser umspült, den Leib wie von Wunden bedeckt, dann haben wir diese Empfindungen stärker in unsere Natur hineingetriebenund haben erreicht, daß sie vorgedrungen sind bis zum physischen Leib, dennes kommen die Stigmata, die von Blut durchtränkten Stellen der Wundmale desChristus Jesus hervor. Wenn wir das tun, machen wir nichts Geringeres, als daß wiruns bereit machen in unserem physischen Leibe, das Phantom nach und nach zuempfangen, das ausgeht von dem Grabe auf Golgatha. Wir arbeiten deshalb in unserenphysischen Leib hinein, um denselben so lebendig zu machen, daß er eine Verwandtschaft, eine Anziehungskraft fühlt zu dem Phantom, das sich auf Golgatha ausdem Grabe erhoben hat. (114)