vrijdag 14 april 2023

Wie was Johannes de evangelist? van Helmut Kiene.

 Een vertaald artikel over de drie Johannesen dat in het Duitse tijdschrift Anthroposophie is verschenen., zoals het is afgedrukt in het paasnummer van het betreffende tijdschrift.




Wie was Johannes de evangelist?
De bijdrage van Judith von Halle aan het onderzoek naar Johannes.
Dr. Med. Helmut Kiene
Instituut voor toegepaste kennistheorie en medische methodologie, Freiburg in Breisgau
Antroposofische geesteswetenschap en haar christologische perspectieven
Antroposofische geesteswetenschap is bedoeld als uitbreiding van de natuurwetenschap met inzet van bovenzinnelijke kennismethoden. De culminatie van deze geesteswetenschap is gelegen in haar oorspronkelijke toegang tot de inhouden van het christendom, maar juist deze pretentie lokt ook de grootste verwondering en scepsis uit.
Met betrekking tot de historische grondslagen van het christendom maakt de antroposofische geesteswetenschap in dubbel opzicht het reële bestaan van geestelijke gebeurtenissen en ervaringsmogelijkheden kenbaar: Ten eerste dat de ontstaansgebeurtenissen van het christendom zoals geboorteverkondiging, genezingen, kruisiging, opstanding, pinkstergebeuren enzovoort, reële gebeurtenissen waren; ten tweede dat de antroposofische methoden eraan bijdragen om een authentieke bovenzinnelijke waarnemingstoegang tot deze christelijke realiteiten mogelijk te maken en wel met een wetenschapsgerelateerde bewustzijnstoestand. Vooral dit tweede aspect is het waarom de antroposofische geesteswetenschap gezien kan worden als een voortgaande bijdrage aan de geschiedenis van het christendom. Christian Geyer, in het begin van de vorige eeuw een van de vooraanstaande Duitse theologen,1 heeft de grondlegger van de antroposofische geesteswetenschap, Rudolf Steiner, daarom bestempeld als iemand die in zijn persoon en individualiteit een eigen ‘fenomeen van de godsdienstgeschiedenis’ is.2
De diepgaande inzichten van de antroposofische geesteswetenschap in de inhouden van het Nieuwe Testament behoren tot haar schoonste vruchten. Zelfs innerlijke tegenspraken in de evangeliën kunnen worden opgelost. Voor beide, Testament en geesteswetenschap, voert dit zo tot een opvallende wederzijdse waardebepaling.
Een van de meest opvallende tegenstrijdigheden in de evangeliën betreft Jezus zelf, omdat er in het Mattheüs- en in het Lucas-evangelie verschillende stambomen van Jezus worden gepresenteerd en verschijnen er bij de geboorte van Jezus in het Mattheüs-evangelie de koningen, in het Lucas-evangelie daarentegen herders. Toen Rudolf Steiner hierover zijn onderzoeksresultaten presenteerde die deze tegenstrijdigheden verklaren, maakte hij hiermee niet geringe irritaties los3, en ook tegenwoordig komt er nog bij traditioneel gestemde gelovigen makkelijk een emotionele weerstand op. De steen des aanstoots is dat het volgens Rudolf Steiner in feite gaat om twee verschillende kinderen. Er zouden twee verschillende Jezuskinderen naast elkaar zijn geweest. (GA 114) Het ene, het Jezuskind volgens Mattheüs, zou een zeer hoogontwikkelde individualiteit zijn geweest die reeds door vele incarnaties was gegaan; het andere daarentegen, het Jezuskind volgens Lucas, zou nooit eerder geïncarneerd zijn geweest en daarom welhaast ik-vrij, onschuldig, engelachtig. In het twaalfde levensjaar, bij het bezoek aan de tempel in Jeruzalem, zou het hoog-ontwikkelde Ik van de Jezus uit het Mattheüs-evangelie overgegaan zijn in het verregaand ik-vrije lichamelijke wezensorganisme van het lucanische Jezuskind en het Jezuskind uit het Mattheüs-evangelie zou vervolgens zijn gestorven.
2
Deze transformatie van de wezenskern van het ene Jezuskind in het wezensorganisme van het andere werd door Steiner verklaard met op de achtergrond het antroposofische reïncarnatiebegrip alsook het antroposofisch begrip van de menselijke constitutie, bestaande uit Ik-organisatie, astraal lichaam, etherlichaam, fysiek lichaam, enzovoort. Steiner beschreef dit speciale gebeuren met Jezus met een overvloed aan details, die in hun onderlinge belichting een overtuigend sluitend geheel laten zien. Dergelijke synthesen, respectievelijk het overdragen van wezensdelen zouden onder de toenmalige menselijke constitutionele condities zeker mogelijk zijn geweest (GA 264, blz. 239)
Een ander soort synthese van wezensdelen zou er bij Johannes de evangelist hebben plaatsgevonden. De beschrijvingen van Rudolf Steiner werden in 2009 aangevuld met uiteenzettingen door Judith von Halle. Net als de uiteenzettingen van Steiner bieden in het bijzonder ook die van von Halle een bijdrage, rijk aan consequenties, voor het onderzoek naar Johannes. Hierop zal in het volgende nader op worden ingegaan.
Wie is Johannes de evangelist?
De schrijver van het Johannes-evangelie is een raadselachtige figuur. Wie is dat? – In het 21e hoofdstuk van dit evangelie is sprake van de leerling, die Jezus’ liefde heeft ervaren (Joh. 21:20), en vervolgens staat er: “Dit is de leerling, die van deze dingen getuigt en die ze opgeschreven heeft. En wij weten dat zijn getuigenis waar is.” (Joh. 21:24) Een dergelijke uitspraak over zichzelf is ook te vinden op het moment dat Jezus sterft. Onder het kruis staat, behalve de drie Maria’s, ook deze leerling, die Jezus’ liefde heeft ervaren. (Joh 19:26) Als dan beschreven wordt dat de Romeinse soldaat een lans stoot in het lichaam van de gekruisigde en er bloed en water uit de zijde komt, staat er: “En die het geschouwd heeft, is getuige daarvoor geworden en hij getuigt met een klaar bewustzijn; hij weet dat hij waarheid spreekt, opdat ook gij geloven kunt.” (Joh. 19:35) Met deze getuige kan eigenlijk alleen diegene bedoeld zijn, waarvan onmiddellijk daarvoor gezegd werd dat hij onder het kruis staat, dus de leerling die Jezus’ liefde heeft ervaren.
Dat is dus Johannes de evangelist: de leerling die Jezus’ liefde heeft ervaren. – Maar, wie is deze leerling? Wordt hij in het Nieuwe Testament ook direct met name genoemd?
De traditie identificeert de geliefde leerling als de apostel Johannes, met andere woorden Johannes Zebedeüs, broeder van Jacobus Zebedeüs.4 Om twee redenen ligt dat voor de hand. Niet alleen draagt het vierde evangelie de naam ‘Johannes’; maar vooral omdat zowel in het Marcus- als in het Mattheüs-evangelie een lijst voorkomt met namen van de twaalf leerlingen en hierbij een ‘Johannes’, namelijk Johannes Zebedeüs. (Mt 10:2 en Mc. 3:18) Omdat bovendien, volgens Marcus en Mattheüs precies twaalf leerlingen aan het Avondmaal deelnamen (Mt. 26:20 en Mc. 14:17) en hierbij ook de leerling hoort, die Jezus’ liefde heeft ervaren (Joh. 13:23), lijkt de link eenduidig: Johannes Zebedeüs is blijkbaar deze geliefde leerling en daarmee ook de latere Johannes de evangelist.
De identificatie van de evangelist is echter veel minder eenduidig als verdere gezichtspunten en bronnen erbij betrokken worden.5 Op de identificatieproblemen moet hier niet in detail worden ingegaan want veel wordt zondermeer door het hierna volgende in een nieuw licht geplaatst.
3
Wat zegt Rudolf Steiner hiervan
Rudolf Steiner heeft een andere identificatie aangebracht, gebaseerd op geesteswetenschappelijk onderzoek. De geliefde leerling is niet Johannes Zebedeüs, maar Lazarus die uit de dood is opgewekt (GA 264, blz.233). Steiner benadrukte dat deze Lazarus na de opwekking een andere configuratie zou hebben gehad als voordien, namelijk doordrongen met de hogere wezensdelen van Johannes de Doper. Degene die was opgewekt, zou een – uit wezensdelen van Lazarus en de Doper – nieuw geschapen individualiteit zijn geweest: Lazarus-Johannes. (GA 238, Aanvullende opmerkingen van de uitgever) Steiner had zijn uiteenzettingen over Lazarus-Johannes nog verder willen uitbreiden, maar dat werd door ziekte verhinderd.
Voor de visie van Steiner pleit de geesteswetenschappelijke onderzoeksaanpak, anderzijds ook dat ook Lazarus iemand is waarvan wordt gezegd dat de Heer hem liefhad. (Joh. 11:3-5) Bovendien is er pas sprake van de ‘geliefde leerling’ na de opwekking van Lazarus: bij het laatste Avondmaal (Joh. 13:23), onder het kruis (Joh. 19:26), aan het geopende graf (Joh. 20:1-10) en bij de nachtelijke visvangst en het ochtendmaal aan het meer (Joh. 21:1-23).
De beschrijvingen door Steiner van de fusie van wezensdelen bij Lazarus-Johannes en anderzijds bij Jezus verschillen in een belangrijk opzicht: Terwijl het verhaal over Jezus de eclatante tegenstelling tussen het Mattheüs- en het Lucas-evangelie opheft, roept het verhaal over Johannes juist een tegenspraak op met de evangeliën en de Handelingen van de apostelen – tegenstellingen die vervolgens echter opgelost worden door de uiteenzettingen van von Halle.
Tegenstrijdigheden met de evangeliën en de Handelingen van de apostelen
Het probleem is het volgende: Zowel in het Mattheüs-evangelie alsook in het Marcus-evangelie is een lijst met twaalf namen van leerlingen vermeld, waaronder een Johannes, namelijk Johannes-Zebedeüs (Mt. 10:2; Mc. 3:18). In alle twee de evangeliën wordt de nadruk gelegd op het feit dat er twaalf leerlingen deelnamen aan het Avondmaal (Mt. 26:20; Mc. 14:17). Als je de uitspraak van Rudolf Steiner serieus neem, dat Lazarus-Johannes de geliefde leerling zou zijn, dan zou hij niet tot de twaalf leerlingen behoren die in het Matteüs- en Marcus-evangelie met name worden genoemd. Als Lazarus-Johannes, als de geliefde leerling, aan het Avondmaal hebben deelgenomen, dan zou hij nog bij de twaalf andere leerlingen bijgeteld moeten worden. Dan zou je echter aan een aantal van dertien leerlingen komen. In feite bestaat er een iconografische avondmaalstraditie, waarop dertien leerlingen zijn afgebeeld, bijvoorbeeld bij Dürer.6 Dit getal is echter in tegenspraak met het Mattheüs- en het Marcus-evangelie, want beiden geven een exact getal aan voor de deelnemers aan het Avondmaal: twaalf leerlingen. Als je zou uitgaan van Steiner of de iconografische traditie van dertien leerlingen, dan zou dat tegen de juistheid van het Mattheüs- en Marcus-evangelie ingaan.
Om de scherpte van het dilemma af te nemen, zou je het argument kunnen aanvoeren dat de dertiende maar bij een gedeelte van het Avondmaal heeft meegemaakt, dat hij pas later zou zijn gekomen en vroeger zijn weggegaan. Dat is moeilijk voor te stellen. Het is nauwelijks te geloven dat bij zo’n belangrijk, ernstig voorbereid en ceremonieel uitgevoerd Avondmaal een van de deelnemers pas later om zo te zeggen komt aanwaaien, respectievelijk voortijdig afscheid neemt. Vooral bij het Marcus-evangelie kun je er niet omheen. Het getal twaalf wordt tweemaal vermeld: Niet alleen bij het begin van het Avondmaal (Mc.14:17), maar ook precies op het moment dat Jezus het verraad aankondigt (Mc. 14:20). Meteen na deze
4
aankondiging heeft Petrus de geliefde leerling aangesproken en dringend verzocht om te vragen, wie de verrader zou zijn (Joh. 13:24). Op dit moment, waarop er twaalf leerlingen zijn, was dus de geliefde leerling er definitief bij.
Een overeenkomstig probleem vind je in de Handelingen van de apostelen. Weer worden daar de leerlingen genoemd, maar nu zijn het er, nadat Judas is weggevallen, nog elf (Hand. 1:3). Dit getal elf wordt nadrukkelijk genoemd (Hand. 1:26). Er wordt zelfs, en wel speciaal om weer het getal twaalf te bereiken, een nieuwe apostel erbij gekozen, namelijk Matthias (Hand. 1:26). Eerst waren er dus nog elf apostelen en na de verkiezing weer twaalf – en daartoe behoort een Johannes (Hand. 1:13). Als er echter in de zin van de uiteenzetting van Steiner, na de opwekking van Lazarus nog een andere apostel zou zijn geweest, namelijk Lazarus-Johannes aan wie Jezus zijn liefde had gegeven, dan zouden er aan het begin van de Handelingen der apostelen geen elf, maar twaalf apostelen bij elkaar zijn geweest en daarbij niet een enkele, maar twee Johannesen: Johannes-Zebedeüs en Lazarus-Johannes. Maar dan zou – en dat zou de problematiek in het absurde voeren – de hele ceremonie van de verkiezing van nog een apostel om het getal twaalf weer rond te krijgen, overbodig zijn geweest. Er zouden dan immers, al voor de verkiezing, reeds twaalf apostelen zijn geweest.
In zoverre kun je er nauwelijks omheen: Of het Mattheüs- en het Marcus-evangelie en de Handelingen van de apostelen kloppen niet op de genoemde plekken of de uitspraak van Rudolf Steiner is een vergissing – of er is een nog niet eerder geopenbaard geheim verbonden met het aantal leerlingen dat deelgenomen heeft aan het Avondmaal en aan de Handelingen van de apostelen.
Met dit op de achtergrond is het de moeite waard om de beschrijving van Judith von Halle erbij te nemen.
De beschrijving van Judith von Halle
In het boek Over het mysterie van Lazarus en de drie Johannesen beschrijft Judith von Halle dat er aan de configuratie van de geliefde leerling niet alleen wezensdelen van Lazarus en van Johannes de Doper ten grondslag lagen, maar ook van Johannes Zebedeüs.7 Deze laatste zou direct voor de opwekking van Lazarus dood op de grond zijn gevallen en zijn etherlichaam zou geïntegreerd zijn in de wezensstructuur van degene die uit de dood werd opgewekt. Zo zou een totaal-individualiteit zijn ontstaan, die – vrij naar von Halle – als driegeleed beschreven kan worden: De geestvormende wezensdelen zouden van Johannes de Doper afstammen, de wezensdelen die de ziel vormen van Lazarus en het wezensdeel dat het lichaam vormt van Johannes-Zebedeüs. – De vorming van deze Lazarus-Johannes is bij von Halle tot in detail beschreven.
Gelijktijdig en parallel aan dit gebeuren heeft zich volgens von Halle nog een bijbehorend buitengewoon fusieproces voltrokken. Toen het fysieke lichaam van Johannes-Zebedeüs dood ter aarde zonk, zouden ziel en geest van deze Johannes (astraal lichaam, gemoedsziel en gewaarwordingsziel) door de constitutie van wezensdelen van zijn broer, Jacobus Zebedeüs, zijn opgenomen en verder geleefd hebben. Daardoor vormen de beide broers Zebedeüs voortaan in zekere zin een eenheid: met een lichaam (van Jacobus) en twee hierin existerende ziele-geestelijke kernen (Jacobus en Johannes Zebedeüs).
Zoals von Halle zelf benadrukt, werpt dit een verhelderend licht op de volgende overgeleverde woorden van Rudolf Steiner:
5
Raadselachtige woorden van Rudolf Steiner
Volgens herinneringsnotities van Elisabeth Vreede zei Rudolf Steiner in 1909: “Onder de twaalf apostelen is Lazarus-Johannes zelf als het ware weer door een ander vertegenwoordigd. Johannes, de broeder van Jacobus en zoon van Zebedeüs, is niet een apostel in eigenlijke zin. Jacobus en Johannes zijn in zekere zin één, zij vertegenwoordigen te midden van de intiemere leerlingen van Christus Jezus de kracht van de verstands- of gemoedsziel, die immers een dubbele functie heeft in de mens, maar toch een eenheid is… Als Lazarus echter tot Johannes wordt, neemt hij de plaats in van de ene Zebedeüs-zoon en als zodanig is hij degene die bij het Avondmaal aan de borst van Jezus lag.”(GA 264, blz. 232)
Een andere herinneringsnotitie van een opmerking van Rudolf Steiner schreven Johannes W. Klein en Emil Bock (1924): “Hoorden de zonen van Zebedeüs dan wel in de directe kring van twaalf? In de kring van sterren waarin Christus zijn wezen gespiegeld zag? Dat moet een verwisseling zijn als dat in de evangeliën staat. Verwisselingen mogen ons daarom helemaal niet verwonderen, want de apostelen konden immers, zelfs onder de toenmalige heel andere wetten betreffende de ziel, van lichaam wisselen. De drie leerlingen in Gethsemane behoorden in ieder geval tot de directe kring van twaalf en Lazarus behoorde ook daartoe.” GA 264, blz. 239)
Zonder te weten wat von Halle hierover heeft gezegd zijn deze woorden absoluut niet te begrijpen: Enerzijds zijn Johannes en Jacobus twee zonen van Zebedeüs, maar anderzijds zouden ze één zijn. Van de ene kant zou Jacobus niet tot de apostelen in engere zin horen, anderzijds behoorde hij als één van de drie leerlingen in Gethsemane tot de kring van twaalf. Enerzijds zou Johannes Zebedeüs Lazarus-Johannes vertegenwoordigen, maar van de andere kant zou hij bij het Avondmaal deze plaats hebben afgestaan.
Dit raadselachtige wordt volledig opgelost door de beschrijvingen van von Halle. Volgens haar zijn de twee Zebedeüs-broers na de opwekking van Lazarus-Johannes daadwerkelijk één en behoren pas in deze eenheid tot de kring van twaalf bij het Avondmaal en tot de drie leerlingen in Gethsemane; bovendien werd na het lichamelijk wegvallen van Johannes Zebedeüs diens plaats inderdaad ingenomen door de voormalige Lazarus. De beschrijving van von Halle sluit dus precies aan bij de genoemde uitspraken van Steiner en is bovendien geschikt om deze uitspraken überhaupt begrijpelijk te maken.
Het oplossen van de tegenstrijdigheden tussen de beschrijving van Johannes door Rudolf Steiner en het Nieuwe Testament
Door de beschrijvingen van von Halle kunnen vooral ook de bovenvermelde tegenstellingen tussen de beschrijving van Johannes door Rudolf Steiner en de evangeliën van Marcus en Mattheüs en de Handelingen van de apostelen worden verklaard. Von Halle heeft deze tegenstrijdigheden en hun oplossing niet zelf vermeld; wellicht had zij geen directe kennis van deze tegenstrijdigheden en daarmee ook niet van de oplossing daarvan. Het gaat om het volgende:
Avondmaal: Zoals gezegd nemen daaraan volgens Mattheüs en Marcus twaalf leerlingen deel. Volgens Rudolf Steiner zou Lazarus-Johannes als de geliefde leerling nog daarbij geteld moeten worden en dan zouden er dertien leerlingen zijn. Volg je von Halle, dan lost deze tegenspraak zich op want beide uitspraken gelden tegelijk – enerzijds zijn er twaalf, anderzijds dertien leerlingen aanwezig. Dat is allebei correct: In lichamelijk opzicht zijn er twaalf leerlingen en bij deze twaalf hoort ook de nieuwe leerling Lazarus (met inbegrip van de
6
door hem opgenomen overige wezensdelen van Johannes de Doper en Johannes Zebedeüs). Deze leerling ligt aan het hart van de Heer en wordt nu ‘Johannes’ genoemd. Evenzo hoort, in lichamelijk opzicht, ook Jacobus-Zebedeüs tot de twaalf Avondmaalsleerlingen. Maar Johannes-Zebedeüs hoort daar niet bij, tenminste niet in lichamelijke zin. Want deze was, volgens von Halle, reeds eerder, namelijk op het moment van de opwekking van Lazarus, lichamelijk gestorven. – Op ziele-geestelijk gebied ligt dat echter anders. Op dit niveau nemen, volgens von Halle, dertien jongeren deel aan het Avondmaal; want in het lichaam van Jacobus Zebedeüs is ook het ziele-geestelijke deel van diens broeder Johannes aanwezig. Op die manier, maar alleen op deze manier, neemt, volgens von Halle, ook Johannes Zebedeüs deel aan het Avondmaal.
Handelingen van de apostelen: Volgens de Handelingen waren er aanvankelijk nog elf apostelen. Volgens Steiner zouden er echter op dit moment twaalf apostelen zijn. Volg je von Halle, dan is het weer allebei geldig. Er zijn elf en tegelijk twaalf apostelen aanwezig: in lichamelijk opzicht zijn het er elf, naar de ziel zijn het er twaalf. De ‘Johannes’, die tot de elf aanwezige apostelen behoort, is Lazarus-Johannes die is opgewekt uit de dood. Maar Johannes Zebedeüs hoort daar, in lichamelijke zin, niet bij; hij is er met zijn ziel bij, namelijk in zijn broeder Jacobus.
Samenvattend kun je zeggen: De uitspraak van Rudolf Steiner dat de geliefde leerling geconstitueerd zou zijn uit wezensdelen van Lazarus en Johannes de Doper voert tot tegenspraken in het Nieuwe Testament. Deze worden opgeheven, zogezegd opgelost door de beschrijvingen van Judith von Halle.
Oplossing van een tegenstrijdigheid betreffende de dood van Johannes Zebedeüs
Nog een tegenstrijdigheid wordt er opgelost, een tegenstrijdigheid die eveneens pas door de beschrijving van Johannes door Steiner in zijn volle scherpte tot uiting komt. Zou namelijk de evangelist niet identiek zijn met Johannes Zebedeüs, dan moet je opnieuw de vraag stellen naar het levenseinde van deze Zebedeüs en dan zie je een probleemstelling waarvan de oorsprong ver in het verleden teruggaat, tot Papias, de bisschop van Hiërapolis in de eerste eeuw, een generatie na de apostelen.
Op Papias gaat het zogenaamde Papias-fragment terug. Hierin wordt beschreven dat de beide broers Zebedeüs door de Joden worden omgebracht, niet alleen Jacobus, maar ook Johannes. Dit gegeven komt overeen met een uitspraak van Jezus in het Marcus-evangelie (Mc. 10:39), die ook als profetie van de gemeenschappelijke martelaarsdood van beide Zebedeüs-zonen werd opgevat. Wellinghaus nam daarom aan dat de beide broers en niet alleen Jacobus, de martelaarsdood hadden geleden. Als deze profetie “voor de ene helft [namelijk voor Johannes Zebedeüs] niet vervuld zou zijn, dan zou het niet in het evangelie hebben gestaan.” (zie aantekening 5) Ook de Johannes-onderzoeker Eduard Schwartz sluit zich daarom bij dit gezichtspunt aan: de beide Zebedeüs-zonen, Jacobus en Johannes, zouden gelijktijdig gedood zijn.8
Maar in de Handelingen van de apostelen staat het anders (Hand. 12:2). Daar wordt de martelaarsdood van Jacobus vermeld, maar niet van Johannes. Daarbij wordt benadrukt – en wel in dezelfde zin (Hand. 12:2) – dat deze Jacobus die gedood is, de broeder van Johannes Zebedeüs zou zijn; direct daarna wordt beschreven dat tegelijk met de dood van Jacobus ook Petrus gevangen werd genomen (Hand. 12:3). Omdat hier beide feiten, de broederband met Johannes Zebedeüs en het gevangen nemen van Petrus, uitdrukkelijk vermeld zijn, kun je je niet voorstellen dat Johannes Zebedeüs gelijktijdig gedood zou zijn en dat een dermate
7
belangrijke gebeurtenis als de moord op Johannes op die plek in de Handelingen der apostelen, onvermeld zou zijn gebleven.
Hier is weer een tegenspraak: aan de ene kant de profetie van Jezus en het bericht van Papias over de martelaarsdood van de beide zonen van Zebedeüs, aan de andere kant het bericht van de moord op alleen Jacobus.
Ook deze tegenspraak wordt opgelost in het licht van de beschrijving van von Halle. Volgens haar leefde in het lichaam van Jacobus ook de ziel van zijn broeder Johannes. Dus gebeurde er in het jaar 43 of 44 het volgende: Alleen Jacobus Zebedeüs werd volgens de Handelingen van de apostelen lichamelijk met het zwaard omgebracht. Daarbij werd echter, zoals het Papias-fragment bericht en zoals ook Jezus had voorspeld, gelijk met Jacobus ook zijn broeder Johannes Zebedeüs omgebracht: want deze had in het lichaam van Jacobus meegeleefd. – De tegenspraak lost zich dus op.
Tegenstrijdigheid met betrekking tot het ontwikkelingsniveau van Johannes
De beschrijving van Johannes door Judith von Halle levert zelf ook weer een mogelijke tegenstrijdigheid op. Als Lazarus-Johannes de Johannes uit de Handelingen van de apostelen is, zoals je uit de beschrijvingen van von Halle zou kunnen concluderen, ontstaat een probleem voor wat betreft diens ontwikkelingsniveau. In de Handelingen van de apostelen wordt deze Johannes als een eenvoudige leek beschouwd; daarom zijn de schriftgeleerden zelfs heel verbaasd over zijn vrijmoedigheid (Hand. 4:13). Deze eenvoud van Johannes zou wellicht verder niet zo verwonderlijk zijn als het zou gaan om de Zebedeüszoon, de visser. Lazarus echter was de ‘rijke jongeling’ en daarmee een van de oversten van het volk (Lc. 18:18), mogelijk was hij ook de ‘andere leerling’ en als zodanig zelfs een bekende van de hogepriester (Joh. 18:15). Dat deze Lazarus een onontwikkeld mens zou zijn geweest, is niet aannemelijk.
Hoe kan deze tegenspraak worden opgelost? Een persoonlijke navraag bij Judith von Halle leverde de volgende toelichting op: De rijke jongeling kon, zoals Jezus vroeger had gezegd (Mt.19:16-26; Mc.10:17-27; Lc. 18:18-27), slechts daardoor in het rijk der hemelen komen (wat dan door dood en opwekking van Lazarus is gebeurd), als hij zijn aardse rijkdom zou opgeven en daarbij hoorde ook de aardse culturele rijkdom. – In feite had de uit de dood opgewekte Johannes-Lazarus-Johannes immers, volgens von Halle, niet meer het etherlichaam van Lazarus, dus niet meer de lichamelijke drager van diens aardse herinneringen en de daarmee verbonden aardse ontwikkelingsgraad, maar het etherlichaam van de visser Johannes Zebedeüs.
Zo kan dus de potentiële tegenstrijdigheid al in de kiem worden opgeheven. Overigens: Dat dezelfde Johannes, toen hij op hogere leeftijd het evangelie schreef en het boek van de openbaring, zich inmiddels een nieuwe ontwikkeling eigen had gemaakt, met name op het gebied van het hellenisme, is natuurlijk niet uitgesloten door wat er hier is gezegd.
Het ochtendmaal aan het meer
Op het eerste gezicht lijkt het 21e hoofdstuk van het Johannes-evangelie in tegenspraak met de beschrijvingen van von Halle. Daar wordt een ochtendmaal aan het meer beschreven en daarbij de aanwezigheid van meerdere leerlingen genoemd, in het bijzonder die van de ‘andere’ leerling en ook de zonen van Zebedeüs. Het lijkt dus alsof er o.a. drie leerlingen
8
tegelijk aanwezig waren: Johannes de evangelist, Jacobus Zebedeüs en Johannes Zebedeüs. – Volgens von Halle leefde Johannes op dit tijdstip niet meer.
Met betrekking tot dit ochtendmaal moeten we in aanmerking nemen wat Rudolf Steiner benadrukt had (GA 144, 31-5-1908). Bij het ochtendmaal, net zoals bij de eerste ontmoeting van Maria Magdalena, werd de Opgestane niet meteen herkend: “Toen de morgen aanbrak, stond Jezus op de oever. Maar de leerlingen begrepen niet dat het Jezus was.” (Joh 21:4) Steiner zei met nadruk dat het helderziende vermogen eerst moest worden gewekt. Pas dan konden de leerlingen – in de geest – de verschijning van de opgestane Christus zien. Het is dus goed mogelijk dat het er in deze perikoop over het ochtendmaal minder op aan komt wie er in lijfelijke zin aanwezig was, dan wie deelnam met het vermogen tot geestelijk inzicht. Omdat volgens Steiner de andere evangelisten Mattheüs, Marcus en Lucas meer gericht waren op de “zintuiglijke, werkelijke wereld”, maar Johannes eerder op de “meer geheime, spirituele samenhangen” (GA 144, 31-5-1908), zou het zeer wel te begrijpen zijn dat Johannes bij de beschrijving van dit ochtendmaal niet alleen Johannes de evangelist en Jacobus Zebedeüs noemde, maar ook, als men de beschrijving van von Halle volgt, Johannes Zebedeüs die met ziel en geest ook aanwezig was. – Deze interpretatie van de perikoop van het ochtendmaal is in ieder geval geenszins een onzinnige mogelijkheid. Ze is in overeenstemming met de beschrijving zoals von Halle die over Johannes geeft.
Waarom vermeldt het Johannes-evangelie niet de opwekking van het dochtertje van Jaïrus, de verheerlijking op de berg Tabor en de Gethsemane-scène?
Tegen de traditionele visie dat Johannes Zebedeüs de schrijver van het Johannes-evangelie zou zijn, voert Manfred Krüger aan, dat uitgerekend het Johannes-evangelie een aantal van die centrale en belangrijke gebeurtenissen niet vermeldt, waaraan Johannes persoonlijk zou hebben deelgenomen: de opwekking van het dochtertje van Jaïrus, de verheerlijking op de berg Tabor en de Gethsemane-scène.9 Zolang het gaat om de vraag of Lazarus of Johannes Zebedeüs de evangelist is, is dat een overtuigend argument. Maar nu komt een verdere vraag op: Is dit argument ook dan geldig als het etherlichaam van Johannes Zebedeüs en daarmee diens herinneringsvermogen een geïntegreerd deel van de evangelist is?
Het volgende moet wel in ogenschouw worden genomen: De evangelist zegt met nadruk dat hij niet alles heeft opgeschreven wat met Jezus te maken had; hij wist nog veel meer. “Er zijn ook vele andere dingen, die Jezus heeft volbracht. Als die een voor een zouden worden opgeschreven, dan zou de wereld, naar ik meen, de boeken niet kunnen bevatten die te schrijven waren.” (Joh. 21:25) Dat wil zeggen dat Johannes een keuze heeft gemaakt. Niet alle gebeurtenissen, wellicht ook niet alles wat hijzelf had meebeleefd, hadden voor hem hetzelfde gewicht. Misschien kwam de opwekking van het dochtertje van Jaïrus voor hem op de tweede plaats in vergelijking met de opwekking van Lazarus (dat alleen in het Johannes-evangelie is beschreven). Misschien was voor hem, die opgewekt was uit de dood en een ingewijde geworden was, de verheerlijking op de berg en ook het gebeuren in Gethsemane van vergelijkbaar mindere betekenis dan het kruisigingsgebeuren dat hij zelf had beleefd en waarvan hij getuige was geweest. Dat zou een verklaring kunnen zijn waarom die scènes waaraan steeds een Johannes deelnam, in het Johannes-evangelie niet voorkomen. Misschien moet je er ook rekening mee houden dat het Johannes-evangelie een inhoudelijk structurele totaalcompositie lijkt te volgen10 en dat zijn inhoud ook geselecteerd kan zijn naar compositorische gezichtspunten. Ook de perikoop van de rijke jongeling is immers niet in het Johannes-evangelie opgenomen, maar alleen in de andere evangeliën, ofschoon de rijke jongeling wel Lazarus-Johannes zelf was.11
9
Samenvatting
Wie was Johannes de evangelist? – Traditioneel wordt Johannes Zebedeüs gezien als de schrijver van het ‘Johannes’- evangelie. Deze visie kan worden onderbouwd met het gegeven dat de evangeliën en de Handelingen van de apostelen geen specifieke verwijzing geven naar een andere leerling met deze naam. Volgens de geesteswetenschap van Rudolf Steiner is er wel degelijk nog zo’n Johannes, namelijk Lazarus-Johannes. Deze zou de evangelist zijn en niet Johannes Zebedeüs. Als je deze uitspraak op zich neemt, dan strookt dat echter niet met de evangeliën volgens Mattheüs en Marcus en ook niet met de Handelingen van de apostelen. Er bestaat een tegenstrijdigheid betreffende de getalsverhoudingen van de apostelen. Deze tegenstrijdigheid wordt opgeheven door de beschrijvingen van Judith von Halle. Zij beschrijft de opwekking van Lazarus (de latere evangelist) als een fusie van wezensdelen, niet alleen van de Doper en van Lazarus, maar in het bijzonder ook nog van Johannes Zebedeüs. Parallel daaraan is de ziel en de geest van Johannes Zebedeüs opgenomen in zijn broeder Jacobus. Met deze uiteenzettingen worden de genoemde tegenstrijdigheden tussen de beschrijving van Johannes door Steiner en die in het Nieuwe Testament opgeheven. Bovendien krijgen de raadselachtige woorden van Steiner over Johannes Zebedeüs een nieuwe en begrijpelijke betekenis en ten slotte wordt daarmee ook de tegenspraak opgelost tussen de Handelingen van de apostelen en het Papias-fragment.
In de zin van de antroposofie is misschien ook het volgende opmerkelijk. Zoals Rudolf Steiner zei, stond er met de gestalte van de geliefde leerling en latere evangelist een mens, die van de aardediepten tot aan de hoogste hemelhoogten reikte, voor de aan het kruis stervende Jezus Christus (GA 238, aanvullende opmerking van de uitgever). Vrij naar Judith von Halle, had deze mensengestalte echter bovendien bijna als een ideaalbeeld een driegelede constitutie naar lichaam, ziel en geest, die door de Christus zelf geschapen was.
Aantekeningen:
1 Rittelmeyer, Friedrich. Christian Geyer. In: Rittelmeyer, Friedrich, editors. Aus meinem Leben. Stuttgart: Verlag Urachhaus; 1937
2 Geyer, Christian. Rudolf Steiner und die Religion. In: Rittelmeyer, Friedrich, editors. Vom Lebenswerk Rudolf Steiners. Eine Hoffnung neuer Kultur. München: Chr. Kaiser Verlag; 1921.
3 Lindenberg, Christoph. 1909. In: Lindenberg C, editor. Rudolf Steiner. Eine Chronik. 1861-1925. Stuttgart: Verlag Freies Geistesleben; 1988 blz. 276-287.
4 Lieblingsjünger. http://de.wikipedia.org/wiki/Lieblingsjünger. 2013. ref type: elektronisch citaat
5 Rengsdorf, K.H. Johannes und sein Evangelium. Blz. 202. Darmstadt: Wissenschaftliche Buchgesellschaft.
- Hengel M. Die johanneische Frage: ein Lösungsversuch. Tübingen: Mohr Siebeck; 2001
- Bauckham R. Jezus and die Eyewitnesses: The Gospels as Eyewitness Testimony. Cambridge: Wm. B. Eerdmans; 2008
- Nordsieck J. Johannes. Zur Frage nach Verfasser und Entstehung des vierten Evangeliums. Neukirchener Verlagsgesellschaft; 2013
6 Krüger, M. Albrecht Dürer. Mystik, Selbsterkenntnis, Christussuche. Stuttgart: Verlag Freies Geistesleben; 2009.
7 Von Halle, Judith. Vom Mysterium des Lazarus und der drei Johannes. Dornach: Verlag für Anthroposophie, 2009.
8 Schwartz, Eduard. Über den Tod der Söhne Zebedei, 1904. In: Rengstorf, K.H., editors. Johannes und sein Evangelium. Darmstadt: Wissenschaftliche Buchgesellschaft; 1972 blz. 202-272.
9 Krüger, M. Warum Johannes, der Sohn des Zebedäus, das Johannes-Evangelium nicht geschrieben haben kann. In: Krüger, Manfred, editors. Die Schriften des Johannes. Band 2. Stuttgart: Verlag Freies Geistesleben; 2011 blz. 13-16.
10 Rau, Christoph. Struktur und Rythmus des Johannesevangeliums. Eine Untersuchung über die Komposition des vierten Evangeliums. Verlag Freies Geistesleben; 1972
11 Krüger, Manfred. Der Verfasser des Johannes-Evangeliums. Die Schriften des Johannes. Band 2. Verlag Freies Geistesleben; 2011 blz. 16-19.

Die Frage nach Wundern und solchen, die nicht sein können ...Mieke Mosmuller

 

Die Frage nach Wundern und solchen, die nicht sein können ...

Gedanken zu: Judith von Halle, Vom Mysterium des Lazarus und der drei Johannes.
Johannes der Täufer, Johannes der Evangelist, Johannes Zebedäus

aus: Der Europäer, Dezember/Januar 2009/2010, S. 11-13.

Judith von Halle hat ihre Gedanken über die drei Johannes in Buchform veröffentlicht.[1] Das Buch enthält zwei Vorträge, eine Fragenbeantwortung und einen in Das Goetheanumveröffentlich­ten Aufsatz.

Zum Inhalt

Ich werde mich auf den Hauptteil des Buches beschränken, der eine Wiedergabe eines Vortrags ist, der am 24. Juni 2008 in der Rudolf Steiner Schule in Berlin gehalten wurde. In die­sem Vortrag wird die Auferweckung des Lazarus dargestellt als eine „Erschaffung des Lazarus-Johannes“.
Es wird aus fünf Quellen geschöpft. Die erste Quelle wird im Geleitwort besprochen. Sie ist die Erkenntnisfähigkeit von Judith von Halle, wie sie sie selbst beschreibt:
„Die vorliegenden Ausführungen sind aus einem eigenständigen geistigen Erleben hervorgegangen und enthalten daher keine Hypo­thesen oder Spekulationen. [...] Das geistige Erleben bezieht sich ei­nerseits auf ein unmittelbares, ja auf ein wie sinnliches Miterleben der historischen Ereignisse der Zeitenwende. Dieses hat sich als Folge der zu Ostern des Jahres 2004 eingetretenen Stigmatisation eingestellt. [...] Die andere Quelle ... ist eine gänzlich andere, je­doch nicht weniger authentische. [...] Der Mensch kann Intuitio­nen von diesen kosmischen Tatsachen haben, wenn sich sein Ich jenseits der Schwelle gänzlich aus dem Astralischen herauslöst, sodass er – das heißt sein Ich – in die Objektivität hineinkommt.“

Dann werden drei andersgeartete Quellen herangezogen. Als Ausgangspunkt der Ausführungen wird Rudolf Steiners „Letzte Ansprache“[2] genommen. In dieser Ansprache durch­brach Rudolf Steiner, wie bekannt, die Inkarnationsfolge, die er immer für Elias gegeben hatte (Elias, Johannes der Täufer, Raffael, Novalis) und die Inkarnationsfolge, die er für Laza­rus-Johannes gegeben hatte (Hiram Abiff, Lazarus-Johannes, Christian Rosenkreutz, Graf von Saint-Germain). In dieser letzten Ansprache gab er sie wie folgt: Elias, Lazarus-Johannes, Raffael, Novalis. Dieses wird von Judith von Halle als Rätsel am Ausgangspunkt ihrer Ausführungen hingestellt. Zweitens bespricht sie die Tempellegende[3], in der die beiden polaren Strömungen in der irdi­schen Menschheitsentwicklung als Kain-­Strömung und Abel-Seth-Strömung darge­stellt werden. Drittens bezieht sich Judith von Halle auf Aussagen der stigmatisierten Anna Katharina Emmerich, wie diese von Clemens Brentano aufgeschrieben und über­liefert sind.
Auf Grund dieser fünf Quellen wird die Erschaffung des Lazarus-Johannes konstruiert. Man solle sich vorstellen, dass Lazarus zuerst drei Tage scheintot gewesen sei, wie es bei ei­ner Einweihung in den Mysterien immer der Fall war. Dann aber sei er wirklich gestorben, und der Leib sei schon vier Ta­ge in Verwesung, als der Christus ihn aufruft aufzuerstehen. Dieser verwesende Leib konnte nicht mehr auferweckt wer­den, und es muss ein komplizierter Vorgang stattfinden, um die Auferweckung realisieren zu können. Da der Ätherleib vier Tage nach dem Tod schon in Auflösung begriffen ist, bringt Johannes Zebedäus das Opfer, dass er seinen Ätherleib abgibt an Lazarus. Dieser Ätherleib nun formt in großer Schnelligkeit einen neuen physischen Leib, der dem des Jo­hannes Zebedäus ähnlich sieht (Judith von Halle konnte das in ihrem Miterleben der Zeitenwende sinnlich anschauen). Die Individualität des Lazarus selbst erhält sich vom Astral­leib bis zur Verstandes- oder Gemütsseele[4]. Anna Katharina Emmerich hat gesagt: „Lazarus empfing sieben Gaben des Heiligen Geistes in der Auferweckung und wurde ganz vom Zusammenhang mit dem Irdischen abgetan.“ Dies wird von Judith von Halle so gedeutet, dass diese sieben Gaben die sieben Wesensglieder vom Astralleib nach oben bezeichnen. Von der Bewusstseinsseele an aufwärts kam der in der geisti­gen Welt anwesende Johannes der Täufer hinzu. So wäre der neue Lazarus-Johannes erschaffen: Seinen ätherischen Leib bekam er von Johannes Zebedäus und daraus erstand der neue physische Leib; der astralische Leib, die Ernpfindungs­seele und die Verstandes- oder Gemütsseele kommen von Lazarus; darüber hinaus geht die Wesenheit von Johannes dem Täufer.
Eine solche Konstruktion scheint alle Rätsel zu lösen. In Lazarus begegnen sich die Kain- und Abelströmung; das Problem der zwei Apostel Johannes wird gelöst, denn Johan­nes Zebedäus verschwindet in Lazarus, einerseits, und gibt seine höheren Glieder an seinen Bruder Ja­kobus, andererseits; das Rätsel der letzten Ansprache Rudolf Steiners ist gelöst. Durch ein Wunder werden diese Rätsel gelöst. Die Frage bleibt nur offen, ob es auch Wunder gibt, die unmöglich geschehen können ...

Zur Methode

Diese Konstruktion wird nun dem heuti­gen Menschen gegeben, der die Bewusst­seinsseele entwickelt (hat). Was erlebt die Bewusstseinsseele – die schon „Ich“ ist –, wenn sie sich mit einer solchen Offenbarung auseinander­setzen muss? Merkmal der Bewusstseinsseele ist ja, dass sie sich die Erkenntnisse wirklich zu eigen machen, dass sie die Wahrheit finden will. Das tut sie durch Anwendung der Ver­nunft. Die Vernunft will sich nicht nur in den Inhalt einle­ben, sie will auch die Formen und die Aufeinanderfolge der Begriffe mitvollziehen und erleben können, und so die Wahrheit vom Irrtum unterscheiden, Auch wenn sie nicht selbst hellsichtig ist, sich jedoch mit Forschungsergebnissen von Hellsehern auseinandersetzt, verlangt sie, auf nachvoll­ziehbaren Bahnen geführt zu werden. Das nun ist gerade das Beruhigende, das Heilende in den Darstellungen Rudolf Stei­ners, dass er der Seele diese Möglichkeit immer gibt. Bei ihm findet man immer die Fäden, die vom einen in das andere führen, man findet die Erkenntnisse immer eingebettet in eine reine Intelligenz. Das Staunen beim Lesen der Texte Rudolf Steiners rührt gerade vom Erleben dieser heiligen Intelligenz her, nicht von unbegreiflichen Tatsachen, oder von nicht nachvollziehbaren Gedankengängen. Sprünge braucht man nur selten zu machen – und wenn es sie gibt, findet man in anderen Teilen der Arbeit die Bindeglieder wieder. Rudolf Steiners Vorzüglichkeit liegt gerade in der Möglichkeit, die er gibt, mit der Vernunft seine Texte mitzu­denken. Es ist klar, dass Rudolf Steiner selbst diese sieben Ga­ben des Heiligen Geistes ausstrahlte: die Gottesfurcht, die Frömmigkeit, die Wissenschaft, die Stärke, den Rat, den Ver­stand, die Weisheit.[5]
Gerade dadurch ist die Anthroposophie Rudolf Steiners für die Bewusstseinsseele die ersehnte Nahrung, weil sie den Menschen zur Erkenntnis des eigenen Geistes führt und die­sen Geist bewusst mit dem Geist im Weltenall verbindet.
Versucht man nun mit einer in dieser Weise geschulten Seele, die Darstellungen Judith von Halles mitzudenken, mitzuvollziehen, dann bricht der Faden immer wieder und wieder ab, es werden nicht gestützte Sprünge verlangt und die Vernunft – auch die spiritualisierte, die esoterische – wird ratlos. Auch die verwendeten Zitate helfen nicht, denn wenn man sie in ihrem Kontext aufsucht, können sie meis­tens gar nicht auf das Dargestellte bezogen werden, und es gibt nur dem Wortlaut nach eine Entsprechung, nicht der Bedeutung nach. Der Text von Judith von Halle birgt eine Aufeinanderfolge von Kühnheiten, die man einfach hinneh­men muss, denn folgen kann man ihnen nicht.
Zwei Möglichkeiten gibt es für die Seele: entweder sie folgt den Aussagen von Judith von Halle mit Ausschaltung der Vernunft, mit Absehen von der Bewusstseinsseele – man nimmt dann die Stigmatisation als stellvertretende Begrün­dung –; oder sie muss die Auseinandersetzung bezweifeln und schon der Methode wegen abweisen.

Über die Wahrheit

Wenn man ein solches Geschehen wie die Auferweckung des Lazarus in Wahrheit schildern will, sollte man sich selbst zu­erst in die sieben Gaben des Heiligen Geistes vertiefen. Denn ein solch heiliges Geschehen kann uns nur mit Gottesfurcht, Frömmigkeit, Wissenschaftlichkeit, Stärke, Rat, Verstand und Weisheit versehen enthüllt werden. Dann aber offenbaren sich andere geistige Gestalten, andere Geschehnisse, andere Bedeutungen als die von Judith von Halle dargestellten.
Eva ist die Urmutter, sie stellte den Menschen dar, wie er durch drei planetarische Entwicklungsstufen geworden war. Zur Erschaffung des irdischen Menschen verband sich einer der Elohim, bei dem die Weisheit noch mit dem Feuer der Mondperiode verbunden war, mit Eva, und es wurde Kain geschaffen. Dagegen schuf Jahve, derjenige der Elohim, der eine ruhige, abgeklärte Weisheit hatte, die nicht mehr mit Leidenschaften durchdrungen war, den Erdenmenschen Adam. Dieser verband sich auch mit Eva, und es wurde Abel geschaffen.[6]
In der salomonischen Zeit finden wir den König Salomo als Abel-Sohn und Hiram Abiff, den Baumeister, als Kain-­Sohn wieder. Salomo hat die abgeklärte göttliche Weisheit, Hiram die Erkenntnisse, die durch die irdische Arbeit erlangt werden.
In der Zeitenwende finden wir Hiram als Lazarus wieder, er wird vom Christus geliebt. Als Lazarus einer Krankheit er­liegt, die nach Christus Jesus „nicht zum Tode ist“, und er doch ins Grab gelegt worden ist, kommt der Christus und erweckt ihn. In Rudolf Steiners Das Christentum als mystische Tatsache wird klar und deutlich dargestellt, dass es hier um eine alte Einweihung geht, die durch Christus öffentlich vollführt wird.[7] In den alten Einweihungen wurde der Äther­leib vom physischen Leib losgelöst, wobei der Hierophant den Prozess in der Hand hatte. Nur wenn dieser Prozess misslang, starb der Schüler wirklich. In der Einweihung des Lazarus ist Christus selbst der Hierophant, und es scheint fast ein Sakrileg, wenn man meinen würde, dass diese Ein­weihung von Lazarus zu einem tatsächlichen Tod mit Ver­wesung des physischen Leibes geführt hätte.
Christus gibt dem physischen Leib des Lazarus den Äther­leib, der sich mit dem Logos erfüllt hat, zurück. Lazarus ist in seiner Seele bis zur Verstandes- oder Gemütsseele entwickelt (siehe Literaturhinweis [4]). Johannes der Täufer ist gestorben und der ihm innewohnende Geist des Elias wirkt als geistige Atmosphäre[8] weiter, in der die Geschehnisse eingebettet sind. Er, Elias, bereitet in Lazarus, bei der Auferweckung, die Wege des Logos vor, er ebnet den Pfad. Das heißt, er formt in Lazarus die Bewusstseinsseele, die durch Christus selbst mit dem Logos erfüllt wird (siehe Literaturhinweis [7]). In Lazarus-Johannes lebt der Logos, der ihm auch von außen, als Christus Jesus entgegentritt.
Das ist Lazarus-Johannes, der Jünger, den der Herr liebt. Hier vermählt sich der Kain-Sohn mit dem Adam-Sohn, denn der Elias-Geist geht ja auf den ersten Adam zurück[9], und aus dieser Vermählung geht die Einweihung in den Logos hervor.
Dieser Jünger liegt beim Abendmahl an Christi Brust und steht mit der Mutter unter dem Kreuz.
Da steht also Kain-Adam, wie er geworden ist als Lazarus-­Johannes, neben Eva, wie sie als Maria-Sophia geworden ist.
Die Mondenmutter wurde Erdenmutter und zeigt hier unter dem Kreuz ihre Zukunftsgestalt, die Weisheit, die auf dem Jupiter da sein wird.[10] Sie ist die reine Seele, die den Heiligen Geist aufnehmen kann, wodurch die Erleuchtung, das Manas eintritt.
Der Mensch, Johannes der Evangelist, der Apokalyptiker, der den ersten Adam verwandelt in sich trägt, steht unter dem Kreuz, das den zweiten Adam gebiert. Die vollständige bisherige Menschheitsentwicklung in ihrer schönsten Form steht in Lazarus-Johannes mit Sophia dem Gott gegenüber. Der heutige Mensch wird selbst mit den sieben Gaben des Heiligen Geistes erfüllt, wenn er dieses Urbild des Mysteri­ums von Golgatha kraftvoll imaginiert. Allmählich wird die Seele zur Sophia, das Ich zum Johannes, in dem die Liebe des Christus zur Geist-Erkenntnis wird.

Die Gegenkräfte der Imagination

Es gibt jedoch starke Gegenkräfte, die diese Imagination ver­hindern wollen.
In der Tempellegende ist Hiram der Baumeister des salo­monischen Tempels. Das letzte Werk, der Guss des ehernen Meeres, soll die Vollendung des Tempels bilden. Nach Ru­dolf Steiners Erklärungen[11] wäre das Gelingen dieses Gusses die Harmonisierung der Seele gewesen, die Überwindung der Leidenschaften, wodurch die Seele zur wahren Imagina­tion fähig geworden wäre.
Der Guss wurde jedoch von drei verräterischen Gesellen verdorben. Diese drei verbildlichen die drei Gegenkräfte zur Imagination: der Zweifel oder der Irrtum, der Aberglaube und die Illusion.
Gerade diese drei werden durch die Entfaltung der Be­wusstseinsseele überwunden. Der Mensch lernt das Geistige in seinem eigenen Wesen vollständig durchschauen. Wenn der Wille sich vollkommen mit dem Denken vereinigt hat, wenn die Gedanken in der Willenssubstanz gefunden wer­den, überwindet der Mensch den Zweifel, den Irrtum. Er fin­det in sich die innerliche Position, in der er die Gewissheit, das Sicher-Wissen erkennen lernt. Ab dann kann er unter­scheiden zwischen der Gewissheit der Wahrheit, der Ge­wissheit der Unwahrheit, und dem Fehlen der Gewissheit.[12] Diese Fähigkeit ist eine Grundforderung, wenn man geistige Forschungsergebnisse offenbaren will. Man braucht dazu die voll ausgebildete Bewusstseinsseele, deshalb muss ein geistig Lehrender über 42 Jahre alt sein.
In Judith von Halles Ausführungen findet man die Zeichen dieser Auseinandersetzung mit dem Wesen des Irrtums nicht.
Hat man dann durch das Durchschauen des Irrtums an sich diese Reinheit der Seele erlangt, so bekommt der Glaube eine ganz andere Bedeutung. Er wird zur Kraft des Denkens, zur positiven Gestaltungskraft, wodurch die wahren Gestal­ten des Geistes, die man im Ätherischen eingezeichnet fin­det, wiedererkannt werden können. Alles andere als diese frei und tätig angeeignete Erkenntnis (der neue Glaube) muss man als Aberglauben ansehen. Zu einem solchen Aberglauben fordert Judith von Halle gerade auf: Man muss ihre We­ge mitgehen, weil man einen Glauben an ihre Fähigkeiten auf Grund der Stigmatisation hat, denn die Wege selbst kön­nen nicht überzeugen. Dieser Glaube ist ja in Wirklichkeit ein Aberglaube. Die entwickelte Bewusstseinsseele nimmt solche falschen Gestalten des Geistes schmerzlich wahr.
Der neue Glaube jedoch führt zum vollständigen Durch­schauen aller Illusionen. Eine der wichtigsten Illusionen ist, dass der Geist in sinnlichen Qualitäten angeschaut werden könnte. Zwar können Imaginationen sich in sinnlichen Qualitäten ausdrücken, diese bedeuten jedoch immer etwas anderes als im physischen Dasein. Die sinnlichen Imaginati­onsqualitäten haben sittliche Bedeutungen, sie sind Zeichen für etwas anderes als in der physischen Welt. Judith von Hal­le verführt ihre Anhänger dazu, die Illusionen ihrer Zeitrei­sen für geistige Wirklichkeit zu halten.
Mit diesen drei Gesellen stellt sie sich der Entwicklung der Bewusstseinsseele, die sich mit der Anthroposophie zur Durch-Christung anschickt, entgegen. Mit Irrtum, Aberglau­ben und Illusion wird die Seele in eine Disharmonie geführt, sie wird mit dem Verlust der Vernunft bedroht.

Míeke Mosmuller, Zeist

Anmerkungen


  [1]
 Judith von Halle, Vom Mysterium des Lazarus und der drei Johannes. Johannes der Täufer, Johannes der Evangelist, Johannes Zebedäus. Verlag für Anthroposophie, 2009.
  [2] Rudolf Steiner, GA 238, Ansprache vom 28. September 1924.
  [3] Rudolf Steiner, GA 93, Vortrag vom 15. Mai 1905 und GA 265, Erläuterungen zur Tempellegende.
  [4] Siehe die ergänzenden Bemerkungen zur letzten Ansprache, in GA 238, S.176ff.
  [5] Jesaja, 12, 2; Thomas von Aquin, Summa Theologiae, Band 2, 68. Untersuchung, Die Gaben. Alfred Kröner Verlag.
  [6] Rudolf Steiner, GA 93, Unter „Ergänzungen“: Die Tempel­legende.
  [7] Rudolf Steiner, GA 8, „Das Lazaruswunder“.
  [8] Rudolf Steiner, GA 139, Vortrag vom 17. September 1912.
  [9] Rudolf Steiner, GA 114, Vortrag vom 19. September 1909.
[10] Rudolf Steiner, GA 103, Vortrag vom 31. Mai 1908.
[11] Rudolf Steiner, GA 264, S 383ff. (ohne Datum).
[12] Über die Überwindung des Zweifels: Mieke Mosmuller, Suche das Licht, das im Abendland aufgeht, Occident, 1994.

Übrige Literatur

Mieke Mosmuller, Stigmata und Geist-Erkenntnis. Judith von Halle versus Rudolf Steiner, Occident 2008.
Wolf-Ulrich Klünker, Wer ist Johannes, Verlag Freies Geistesleben 2006.
Sergej O. Prokofieff, Ewige Individualität. Zur karmischen Novalis-Biographie, Verlag am Goetheanum, 1987.
Rudolf Steiner, „Der Prophet Elias im Lichte der Geisteswissen­schaft“, GA 61.
Hella Wiesberger in GA 265, S. 423ff. über die Hiram-Johannes-­Forschung Rudolf Steiners.
Emil Bock, Die drei Jahre.

dinsdag 11 april 2023

de Lazarus-Zebedeus constructie van JvH en interpreten

 Het volgende bericht stond in een open mailwisseling genoemd. Er is daar ook e.e.a. over gediscussieerd.

Maar ik wil de eventuele geïnteresseerden niet de denkrichting onthouden zoals deze te vinden is bij iemand die positief tegenover de uitlatingen van Judith von Halle zegt te staan. In dit blog zijn al eerder berichten van fans weer gegeven.

Ik zal tussen de tekst in wat citaten plaatsen van JvH zelf die toch wel wat afwijken van wat hieronder te lezen is. En enkele opmerkingen, maar zeker niet uitputtend. Of dit alles te verenigen valt met wat ons door Rudolf Steiner als antroposofie gegeven is is op diverse andere plekken in de blog al eerder getoond.


PW: Zo heb ik het verwoord in een artikel op mijn site:

https://www.spiritueelastroloog.nl/lezingen-en-artikelen/De%20tempellegende%20en%20De%20laatste%20weken%20voor%20Goede%20Vrijdag.pdf

Gedeelte hieruit, zie onder.

Met groeten,

Paul W.

 

PW;De dag erna, dus op donderdag (=1 week voor witte donderdag), gaat Christus met zijn gevolg naar Bethanië om Lazarus op te wekken. Lazarus is dan 4 dagen dood en ruikt al. Christus neemt de broers Zebedeus even apart en verzoekt hen zo straks een offer te doen. 

Bron hiervan onbekend. Vermoedelijk PW of een latere rectificatie van JvH.

PW;De zus van Lazarus vraagt aan Christus waarom Hij toch niet eerder gekomen is. Dan dankt Christus de Vader-God waar dus iedereen bij is (al die vele getuigen van deze gebeurtenissen was ook de bedoeling van Christus) en roept vervolgens Lazarus om op te staan. Direct staat Johannes de Doper-Elia zijn hogere vier lichamen af (zie schema);

Johannes de Doper was al eerder onthoofd en dus al lang dood!

 PW;en de ‘oude’ overleden Lazarus staat zijn drie lichamen daaronder ter beschikking; en Johannes Zebedeus staat direct zijn etherlichaam af. Lazarus staat op (hij heeft dan nog 1 uur een soort zombie-achtig postuur), 

bron? niet in de boeken die ik van JvH heb.

PW;waarna Christus hem de adem inblaast. Pas op dat moment verkrijgt de ‘nieuwe’ Lazarus een geheel nieuw stoflichaam!! Christus heeft door het Woord Gods dat scheppend is, werkelijk een nieuw stoflichaam geschapen!

JvH seite 85  denn der Aetherleib des Zebedaeus-Sohnes erzeugte in dem Johannes-Lazarus einen physischen Leib, der von den aetherischen Wesensmerkmalen dieses Zebedaeus-Sohnes gepraegt war,...

..dass der physische Leib des Lazarus in den Tod geht und demzufolge auch der Aetherleib verschwindet, sich in die geistigen Sphaeren einschreibt....s 123 Dieser dem neuen Juenger gestiftete Aetherleib konnte sich dann binnen kuerzester Zeit einen neuen physischen Leib aufbauen.

 PW;Via zijn Exousia-engelgewaad van zijn vorige standplaats de Zon (dat de vorm geeft), heeft Christus een nieuwe vorm, i.c. lichaam, voor de nieuwe Lazarus geschapen. Dus geen opwekking van de oude Lazarus, nee, een nieuw mens is aldaar geschapen met alle negen voertuigen compleet! Een werkelijke 1 e eenwording, transfiguratie, van de Kaïn en Abelkrachten (zie schema). (Na de dood van Johannes de evangelist splitsen de Kaïn en Abelkrachten zich weer uit totdat de mens zelf het hiervoor geadelde zielenvermogen ontwikkelt (zie schema). Rond 1413 heeft Christiaan Rozenkruis zelf deze eenwording, transfiguratie bewerkstelligd). Daarom ook wilde Christus dat Lazarus echt zou sterven

 Steiner GA 57 seite 134-

Einweihungsgeschichten werden uns zu allen Zeiten unter Verhüllung erzählt. Das Lazarus-Wunder ist nichts anderes als die wunderbareund gewaltige Darstellung, wie der Christus den ersten Eingeweihten des Neuen Testamentes geschaffen hat, wie der Eingeweihte (als Initiator) bei seinem Schüler, der dreieinhalb Tage in einem todähnlichen Zustande lag, die Seele wieder zurückrief in den Leib, nachdem sie die Wanderung durch die geistige Welt gemacht hatte, um nachher durch den Christus selbst erweckt zu werden. Es konnte der Christus Jesus nicht den Zarathustra als den berufenen Repräsentanten des 2.nachatlantischen Zeitalters auferwecken. Doch war gleichsam stellvertretend eineandere Individualität auf Erden verkörpert in jener Zeit, deren Entwickelung und für die Menschheit bedeutsamste Mission in merkwürdiger Weise derjenigen des Zarathustra parallel ging. Es war dies Lazarus, der wiedergeborene Hiram-Abiff, der bedeutungsvollste der Kainssöhne, der gleichfalls gearbeitet hatte an der Erdenmission von dem menschlichen Ich aus, wie es Zarathustra im alten Persien getan hatte. Der Christus erfährt von seiner Krankheit und er spricht zu seinen Jüngern von dem Tode des Lazarus .«Da sprach Thomas, der genannt ist der Zwilling, zu den Jüngern:Laßt uns mitziehen, daß wir mit ihm sterben.» Der 2. nachatlantische Zeitraum (de rpersische) war der Zeitraum der Zwillinge; des Thomas, sonst völlig sinnlosen Worte, bezeugen, daß der 2. nachatlantische Zeitraum bereit ist, von dem Christus auferweckt zu werden. Und der Christus Jesus kommt zu dem Grab, in das man den totgewähnten Lazarus gelegt hat, und er spricht die sakramentalen Worte vor allem Volk: «Lazarus, komm heraus!» – Und der Verstorbene kam heraus, gebunden mit Grabtüchern an Händen und Füßen und sein Angesicht verhüllt mit einem Schweißtuch. Und der Christus Jesus spricht die Worte, die gleichsam andeuten, daß von der Stunde an dieser Eingeweihte wird anfangen zu wirken. «Löset ihn auf und lasset ihn gehen». Es ist nicht ein Jüngling wie der ‘Jüngling zu Nain, er ist ein Mann im vollen Besitze seiner Geisteskräfte. Und der auferweckte Lazarus wird der Schreiber des Johannes-Evangeliums. Er ist derjenige, der am Kreuze steht und zu dem der Christus Jesus vom Kreuze herab spricht, hinweisend auf die Mutter Sophia-Maria: «Siehe, das ist deine Mutter!» So wird noch einmal bekundet sein eigentümliches stellvertretendes Verhältnis zu dem Ich des Zarathustra, der als der Jesus der salomonischen Linie wirklich als der Sohn dieser Mutter geboren wurde. 264.231f Weiteres siehe: Johannes der Evangelist.

 PW;opdat niet de ‘oude’ Lazarus opgewekt zou worden. Daarom kwam Hij pas de vierde dag (hij is dood, hij ruikt al!). En omdat deze nieuwe mens het ethervoertuig heeft van Johannes Zebedeus, en het etherlichaam ook het stoflichaam vorm geeft, zag deze nieuwe Lazarus er uit als de 21 jarige Johannes Zebedeus. En omdat de middelste voertuigen afkomstig waren van de overleden Lazarus, wordt deze nieuwe mens genoemd Lazarus-Johannes, en later Johannes de evangelist! (En het Johannes de Doper gedeelte is eveneens vertegenwoordigd in zijn naam Johannes). Hij is de leerling die de Heer het meest lief had, en hij is het die bij het laatste avondmaal (een week later) rechts van Christus aan Zijn borst ligt! (zie o.a. Jac. Du Brœucq). Christus was getuige 

volstrekker, nieuwe inwijder

PW;van zijn opwekking. Lazarus-Johannes was dat later van Christus! [Omdat deze nieuwe Johannes de jongste van de apostelen is (21), is hij daarom afgebeeld met lange haren en geen baard, bijna zelfs vrouwelijk. Hetgeen verwarring heeft gegeven omdat velen dachten dat die apostel/ leerling wel eens Maria Magdalena zou kunnen zijn.] 

Een motief uit Dan Browns Da Vinci Code) ;)

 
                                                Dit portret heet Jezus en Maria van Leonardo Da Vinci



                                            en onder de door Dan Brown bewerkte versie


PW:En omdat het etherlichaam tevens het geheugen bevat, ‘erft’ Lazarus-Johannes ook alle herinneringen van Johannes Zebedeus. Daarom moest de jonge Johannes Zebedeus steeds mee met Christus om straks, via zijn weggeschonken etherlichaam, al deze belangrijke gebeurtenissen over te dragen aan de nieuwe mens Lazarus-Johannes, die als Johannes de evangelist later de belangrijkste getuigenissen en boeken moest gaan schrijven.

Zie Steiner de kennis voor het schrijven van deze boeken heeft Lazarus opgedaan tijdens zijn inwijdingsslaap buiten zijn fysieke lichaam.

 PW;Dus, de opwekking van Lazarus is de door Christus geïnitieerde Lazarus-Johannes als volledig fantoom (= oorspronkelijk fysiek lichaam), en zichtbaar als ‘gewoon’ mens. Doordat Johannes Zebedeus gelijk zijn etherlichaam afstaat, sterft hij ook ter plaatse waarbij zijn stoflichaam direct tot stof vergaat.

Ja zoiets word van de god Christus gezegd als zijn menselijke lichaam na 3 jaar "opgebrand" is.

De schrijver van dit aangehaalde epistel noch JvH noch haar interpreet Kienle spreken over het zogenaamde fysieke lijk van der oude Lazarus die dan al wel rook maar nog zeker niet vergaan was na 4 dagen. Waar dit lijk opeens gebleven is? Er word zelfs niet gezegd dat het binnen de windsels van Lazarus ook geheel tot stof vergaan zou zijn.

 PW;Het offer van de broers is niet alleen dat Johannes zijn etherlichaam afstaat, maar dat al zijn overige hogere voertuigen, en ook zijn IK, direct intrekken bij zijn broer Jacobus! Dit verdragen zij beiden omdat zij niet alleen uit hetzelfde (abel)bloed voortkomen, maar ook omdat zij een gelijkwaardige bewustzijnsgroei hebben doorgemaakt, waarbij Johannes de gemoedsziel, en Jacobus de verstandsziel. Deze eigenlijk ook nieuwe Jacobus, Johannes-Jacobus, heeft nu dus tevens een volledige harmonie in de geïntegreerde verstands- en gemoedsziel doordat zij in één lichaam samengevoegd zijn! Deze nieuwe Jacobus wordt vanaf dan ook opgenomen in de sterrenkring om Christus. Daarom zei Christus destijds tegen de moeder Salome dat zij later naast Hem zouden zitten! Na de dood van Jacobus gaan de beide Ikken weer ieder een eigen weg c.q. eigen incarnatie.

Bij nadere naspeuring word het duidelijk dat PW zich niet alleen orienteerd aan Judith von Halle maar ook aan 


Der Jahve-Elohim und das Mysterium des bulgarischen Volkes – erzengelmichaelblog (wordpress.com)


Nog meer van deze auteur 

voor wat meer achtergrond info zie hier en hier  en hier en hier  en hier en hier en hier en als de lezer werkelijk geïnteresseerd is kan hij het hele blog nalezen benevens de 2 geschreven artikelen 1 2.

oude inwijding 

St: wo die höheren Wesenheiten sind. Und nach diesen dreieinhalb Tagen riefihn derjenige, der ihn eingeweiht hatte, wiederum zurück, das heißt, er hatte dieMacht, ihn wieder erwachen zu machen. Da brachte der Betreffende mit das Wissender geistigen Welt. Jetzt konnte er hineinschauen in diese geistige Welt, und nunkonnte er werden ein Verkünder der Tatsachen der geistigen Welt für seine Mitmenschen.Immer mehr und mehr jedoch wurde das Band geschlossen zwischen Ätherleibund physischem Leib. Daher wurde diese Prozedur immer gefährlicher, denn dieMenschen gewöhnten sich immer mehr und mehr an die physische Sinnenwelt mitdem ganzen Bewußtsein. 112.110f


So können wir sagen, daß die Menschen mit derzunehmenden Kultur immer mehr und mehr der geistigen Welt entfremdet wurden. Die Eingeweihten, die in die höheren Gebiete der geistigen Welt hinaufsahen, wurden immer seltener, denn die Prozedur der Einweihung wurde immer gefährlicher. Immer schwieriger wurde es, dreieinhalb Tage in einem todähnlichen Zustand zuzubringen und den Ätherleib sich trennen zu lassen, ohne daß der Tod eintrat. Dadurch daß der Einzuweihende für das physische Bewußtsein bewußtslos war, kam er in die Herrschaft eines anderen Ich, das war immer damit verbunden. 112.114f 


en dit 1/232ff. GA264-10(Notiz von E. Vreede) Zarathustra „inkarnierte sich (von da ab als MeisterJesus) bald nach dem Verlassen der drei Hüllen des nathanischen Jesus (bei der Jordantaufe); sein Ich verband sich mit dem Ätherleib des salomonischen Jesus, der bei dessen Tod von der Mutter des nathanischen Jesus mit hineingenommen worden war in die geistige Welt.“Johannes Zebedaeus ist nicht Apostel im eigentlichen Sinn. Er ist mit seinem Bruder Jakobus („Söhne des Donners“) gewissermaßen eines, wie die Verstandes- und Gemütsseele zwei Aspekte der seelischen Entwicklung sind. Er ist der „Stellvertreter“ des Lazarus, der dann nach seiner Auferweckung als Johannes seinen Platz einnimmt und auch beim Abendmahl und in Gethsemane dabei ist. Steiner weist darauf hin, dass „unter den damals waltenden ganz anderen seelischen Gesetzen“ die Apostel ihre Leiber austauschen konnten. Lazarus ist der Verfasser des Johannes-Evangeliums.

Nog wat belangrijke feiten uit de spirituele economie.

    Ein Eingeweihter, der über einen Dharmakörper verfügt, hat die vollkommene Herrschaft über     seinen Astralleib und seinen Ätherleib erlangt, und kann diese nun auf andere Menschen     übertragen, die besondere Zukunftsaufgaben haben, und sich selbst einen neuen Ätherleib und     einen neuen Astralleib bilden. Das war beispielsweise bei Zarathustra der Fall, der seinen     Ätherleib Moses übergeben hat und seinen Astralleib an Hermes weiterleitete:

„Wer aber die Herrschaft schon hat über den Astral- und Ätherleib, der kann nun frei verfügen darüber. Er kann sich sagen: Dadurch, daß ich mit meinem Ich durchgemacht habe all die Verkörperungen, die mich gelehrt haben, meinen Astralleib und meinen Ätherleib so weit umzubilden, dadurch bin ich fähig geworden, mir, wenn ich wieder auf die Erde gehen soll, aus Äthersubstanz und Astralsubstanz einen neuen Astralleib und Ätherleib zu bilden, die ebenso vollkommen sind. — Und dadurch ist er imstande, den eigenen Astral- und Ätherleib, wie man sagt, hinzuopfern, ihn auf andere zu übertragen. Sie sehen also daraus, daß es Individualitäten gibt, welche dadurch, daß sie Herr in ihrem Astralleib und Ätherleib geworden sind, auch fähig werden, diesen Astralleib und Ätherleib hinzuopfern, weil sie gelernt haben, sich diese Dinge aufzubauen. Wollen sie wiederum auf die Erde, so werden sie sich neu aufbauen aus dem vorhandenen Material einen Astralleib und einen Ätherleib. Was sie aber in Vollkommenheit erreicht haben, übergeben sie anderen Persönlichkeiten, welche gewisse Aufgaben in der Welt zu bewirken haben. So werden späteren Persönlichkeiten solche Astral- und Ätherleiber von Persönlichkeiten der Vorzeit einverwoben, einverleibt. Wenn das geschieht, so sehen Sie, daß die Persönlichkeit der Vorzeit nicht bloß da wirkt, wo sie steht, sondern daß sie mit dem, was in ihr ist, noch in die Zukunft hineinwirkt.

So konnte zum Beispiel der Zarathustra, der fähig war, seinen Astralleib zu behandeln, und der ihn später hinübergeleitet hat in den Hermes, sich sagen: Ich lebe, aber ich werde nicht nur wirken, wie ich selber jetzt wirke als äußere Persönlichkeit, sondern ich durchwebe auch noch den Astralleib des ägyptischen Hermes, desjenigen, mit dem die ägyptische Kulturepoche beginnt. — Eine solche Persönlichkeit hat einen Körper, einen Kaya, welcher nicht nur an dem Orte wirkt, wo er ist, sondern welcher in die Zukunft hineinwirkt, welcher das Gesetz für die zukünftige Entwickelung abgibt. Gesetz in die Zukunft hinein heißt Dharma. Einen solchen Leib nennt man Dharmakaya. Das sind gewisse Ausdrücke, die häufig wiederkehren in der östlichen Wissenschaft.“ (Lit.:GA 110, S. 152)

Es entspricht dem Prinzip der spirituellen Ökonomie, dass hochentwickelte Ätherleiber oder Astralleiber, die der Dharmakaya umspannt, nach dem Tod nicht nur erhalten bleiben, sondern auch vervielfältigt und anderen Menschen einverwoben werden können oder selbst bereits aus einer solchen Vervielfältigung hervorgegangen sind (Lit.:GA 109, S. 287).


  Hiram is: Er ist der „Stellvertreter“ des Lazarus en in plaats van Zarathoestra  door     Christus zelf ingewijd en opgewekt uit de doodsslaap.

deren Entwickelung und für die Menschheit bedeutsamste Mission in merkwürdiger Weise derjenigen des Zarathustra parallel ging. Es war dies Lazarus, der wiedergeborene Hiram-Abiff, der bedeutungsvollste der Kainssöhne, 

  Zowel Hiram als Zarathustra waren ingewijden. Dat wil zeggen hun etherlichaam lost niet op na de dood. De hele constructie om het etherlichaam van Zebedeus erbij te halen is dan ook zinloos in het kader van de spirituele economie.

Das Prinzip der spirituellen Ökonomie besagt, dass die Ätherleiber und Astralleiber hoher Eingeweihter nach dem Tod nicht nur erhalten bleiben, sondern auch vervielfältigt werden können, um sie anderen Menschen einzuverweben, die besondere Zukunftsaufgaben zu erfüllen haben. Derartige Leiber werden in der östlichen Tradition als Dharmakaya (Gesetzeskörper) bezeichnet.

Nach diesem Prinzip wurden von Manu, dem Führer des atlantischen Sonnenorakel, die Ätherleiber die sieben größten Weisen der atlantischen Orakel aufbewahrt und später auf die sieben heiligen Rishis übertragen, die die urindische Kultur begründen sollten. „Nur der Ätherleib des großen Eingeweihten des Christus-Orakels wurde in gewisser Beziehung verschieden behandelt von diesen andern.“ (Lit.:GA 109, S. 13)

zie ook eerder artikel en hier en het laatste woord is hierover nog niet gesproken