dinsdag 11 april 2023

de Lazarus-Zebedeus constructie van JvH en interpreten

 Het volgende bericht stond in een open mailwisseling genoemd. Er is daar ook e.e.a. over gediscussieerd.

Maar ik wil de eventuele geïnteresseerden niet de denkrichting onthouden zoals deze te vinden is bij iemand die positief tegenover de uitlatingen van Judith von Halle zegt te staan. In dit blog zijn al eerder berichten van fans weer gegeven.

Ik zal tussen de tekst in wat citaten plaatsen van JvH zelf die toch wel wat afwijken van wat hieronder te lezen is. En enkele opmerkingen, maar zeker niet uitputtend. Of dit alles te verenigen valt met wat ons door Rudolf Steiner als antroposofie gegeven is is op diverse andere plekken in de blog al eerder getoond.


PW: Zo heb ik het verwoord in een artikel op mijn site:

https://www.spiritueelastroloog.nl/lezingen-en-artikelen/De%20tempellegende%20en%20De%20laatste%20weken%20voor%20Goede%20Vrijdag.pdf

Gedeelte hieruit, zie onder.

Met groeten,

Paul W.

 

PW;De dag erna, dus op donderdag (=1 week voor witte donderdag), gaat Christus met zijn gevolg naar Bethanië om Lazarus op te wekken. Lazarus is dan 4 dagen dood en ruikt al. Christus neemt de broers Zebedeus even apart en verzoekt hen zo straks een offer te doen. 

Bron hiervan onbekend. Vermoedelijk PW of een latere rectificatie van JvH.

PW;De zus van Lazarus vraagt aan Christus waarom Hij toch niet eerder gekomen is. Dan dankt Christus de Vader-God waar dus iedereen bij is (al die vele getuigen van deze gebeurtenissen was ook de bedoeling van Christus) en roept vervolgens Lazarus om op te staan. Direct staat Johannes de Doper-Elia zijn hogere vier lichamen af (zie schema);

Johannes de Doper was al eerder onthoofd en dus al lang dood!

 PW;en de ‘oude’ overleden Lazarus staat zijn drie lichamen daaronder ter beschikking; en Johannes Zebedeus staat direct zijn etherlichaam af. Lazarus staat op (hij heeft dan nog 1 uur een soort zombie-achtig postuur), 

bron? niet in de boeken die ik van JvH heb.

PW;waarna Christus hem de adem inblaast. Pas op dat moment verkrijgt de ‘nieuwe’ Lazarus een geheel nieuw stoflichaam!! Christus heeft door het Woord Gods dat scheppend is, werkelijk een nieuw stoflichaam geschapen!

JvH seite 85  denn der Aetherleib des Zebedaeus-Sohnes erzeugte in dem Johannes-Lazarus einen physischen Leib, der von den aetherischen Wesensmerkmalen dieses Zebedaeus-Sohnes gepraegt war,...

..dass der physische Leib des Lazarus in den Tod geht und demzufolge auch der Aetherleib verschwindet, sich in die geistigen Sphaeren einschreibt....s 123 Dieser dem neuen Juenger gestiftete Aetherleib konnte sich dann binnen kuerzester Zeit einen neuen physischen Leib aufbauen.

 PW;Via zijn Exousia-engelgewaad van zijn vorige standplaats de Zon (dat de vorm geeft), heeft Christus een nieuwe vorm, i.c. lichaam, voor de nieuwe Lazarus geschapen. Dus geen opwekking van de oude Lazarus, nee, een nieuw mens is aldaar geschapen met alle negen voertuigen compleet! Een werkelijke 1 e eenwording, transfiguratie, van de Kaïn en Abelkrachten (zie schema). (Na de dood van Johannes de evangelist splitsen de Kaïn en Abelkrachten zich weer uit totdat de mens zelf het hiervoor geadelde zielenvermogen ontwikkelt (zie schema). Rond 1413 heeft Christiaan Rozenkruis zelf deze eenwording, transfiguratie bewerkstelligd). Daarom ook wilde Christus dat Lazarus echt zou sterven

 Steiner GA 57 seite 134-

Einweihungsgeschichten werden uns zu allen Zeiten unter Verhüllung erzählt. Das Lazarus-Wunder ist nichts anderes als die wunderbareund gewaltige Darstellung, wie der Christus den ersten Eingeweihten des Neuen Testamentes geschaffen hat, wie der Eingeweihte (als Initiator) bei seinem Schüler, der dreieinhalb Tage in einem todähnlichen Zustande lag, die Seele wieder zurückrief in den Leib, nachdem sie die Wanderung durch die geistige Welt gemacht hatte, um nachher durch den Christus selbst erweckt zu werden. Es konnte der Christus Jesus nicht den Zarathustra als den berufenen Repräsentanten des 2.nachatlantischen Zeitalters auferwecken. Doch war gleichsam stellvertretend eineandere Individualität auf Erden verkörpert in jener Zeit, deren Entwickelung und für die Menschheit bedeutsamste Mission in merkwürdiger Weise derjenigen des Zarathustra parallel ging. Es war dies Lazarus, der wiedergeborene Hiram-Abiff, der bedeutungsvollste der Kainssöhne, der gleichfalls gearbeitet hatte an der Erdenmission von dem menschlichen Ich aus, wie es Zarathustra im alten Persien getan hatte. Der Christus erfährt von seiner Krankheit und er spricht zu seinen Jüngern von dem Tode des Lazarus .«Da sprach Thomas, der genannt ist der Zwilling, zu den Jüngern:Laßt uns mitziehen, daß wir mit ihm sterben.» Der 2. nachatlantische Zeitraum (de rpersische) war der Zeitraum der Zwillinge; des Thomas, sonst völlig sinnlosen Worte, bezeugen, daß der 2. nachatlantische Zeitraum bereit ist, von dem Christus auferweckt zu werden. Und der Christus Jesus kommt zu dem Grab, in das man den totgewähnten Lazarus gelegt hat, und er spricht die sakramentalen Worte vor allem Volk: «Lazarus, komm heraus!» – Und der Verstorbene kam heraus, gebunden mit Grabtüchern an Händen und Füßen und sein Angesicht verhüllt mit einem Schweißtuch. Und der Christus Jesus spricht die Worte, die gleichsam andeuten, daß von der Stunde an dieser Eingeweihte wird anfangen zu wirken. «Löset ihn auf und lasset ihn gehen». Es ist nicht ein Jüngling wie der ‘Jüngling zu Nain, er ist ein Mann im vollen Besitze seiner Geisteskräfte. Und der auferweckte Lazarus wird der Schreiber des Johannes-Evangeliums. Er ist derjenige, der am Kreuze steht und zu dem der Christus Jesus vom Kreuze herab spricht, hinweisend auf die Mutter Sophia-Maria: «Siehe, das ist deine Mutter!» So wird noch einmal bekundet sein eigentümliches stellvertretendes Verhältnis zu dem Ich des Zarathustra, der als der Jesus der salomonischen Linie wirklich als der Sohn dieser Mutter geboren wurde. 264.231f Weiteres siehe: Johannes der Evangelist.

 PW;opdat niet de ‘oude’ Lazarus opgewekt zou worden. Daarom kwam Hij pas de vierde dag (hij is dood, hij ruikt al!). En omdat deze nieuwe mens het ethervoertuig heeft van Johannes Zebedeus, en het etherlichaam ook het stoflichaam vorm geeft, zag deze nieuwe Lazarus er uit als de 21 jarige Johannes Zebedeus. En omdat de middelste voertuigen afkomstig waren van de overleden Lazarus, wordt deze nieuwe mens genoemd Lazarus-Johannes, en later Johannes de evangelist! (En het Johannes de Doper gedeelte is eveneens vertegenwoordigd in zijn naam Johannes). Hij is de leerling die de Heer het meest lief had, en hij is het die bij het laatste avondmaal (een week later) rechts van Christus aan Zijn borst ligt! (zie o.a. Jac. Du Brœucq). Christus was getuige 

volstrekker, nieuwe inwijder

PW;van zijn opwekking. Lazarus-Johannes was dat later van Christus! [Omdat deze nieuwe Johannes de jongste van de apostelen is (21), is hij daarom afgebeeld met lange haren en geen baard, bijna zelfs vrouwelijk. Hetgeen verwarring heeft gegeven omdat velen dachten dat die apostel/ leerling wel eens Maria Magdalena zou kunnen zijn.] 

Een motief uit Dan Browns Da Vinci Code) ;)

 
                                                Dit portret heet Jezus en Maria van Leonardo Da Vinci



                                            en onder de door Dan Brown bewerkte versie


PW:En omdat het etherlichaam tevens het geheugen bevat, ‘erft’ Lazarus-Johannes ook alle herinneringen van Johannes Zebedeus. Daarom moest de jonge Johannes Zebedeus steeds mee met Christus om straks, via zijn weggeschonken etherlichaam, al deze belangrijke gebeurtenissen over te dragen aan de nieuwe mens Lazarus-Johannes, die als Johannes de evangelist later de belangrijkste getuigenissen en boeken moest gaan schrijven.

Zie Steiner de kennis voor het schrijven van deze boeken heeft Lazarus opgedaan tijdens zijn inwijdingsslaap buiten zijn fysieke lichaam.

 PW;Dus, de opwekking van Lazarus is de door Christus geïnitieerde Lazarus-Johannes als volledig fantoom (= oorspronkelijk fysiek lichaam), en zichtbaar als ‘gewoon’ mens. Doordat Johannes Zebedeus gelijk zijn etherlichaam afstaat, sterft hij ook ter plaatse waarbij zijn stoflichaam direct tot stof vergaat.

Ja zoiets word van de god Christus gezegd als zijn menselijke lichaam na 3 jaar "opgebrand" is.

De schrijver van dit aangehaalde epistel noch JvH noch haar interpreet Kienle spreken over het zogenaamde fysieke lijk van der oude Lazarus die dan al wel rook maar nog zeker niet vergaan was na 4 dagen. Waar dit lijk opeens gebleven is? Er word zelfs niet gezegd dat het binnen de windsels van Lazarus ook geheel tot stof vergaan zou zijn.

 PW;Het offer van de broers is niet alleen dat Johannes zijn etherlichaam afstaat, maar dat al zijn overige hogere voertuigen, en ook zijn IK, direct intrekken bij zijn broer Jacobus! Dit verdragen zij beiden omdat zij niet alleen uit hetzelfde (abel)bloed voortkomen, maar ook omdat zij een gelijkwaardige bewustzijnsgroei hebben doorgemaakt, waarbij Johannes de gemoedsziel, en Jacobus de verstandsziel. Deze eigenlijk ook nieuwe Jacobus, Johannes-Jacobus, heeft nu dus tevens een volledige harmonie in de geïntegreerde verstands- en gemoedsziel doordat zij in één lichaam samengevoegd zijn! Deze nieuwe Jacobus wordt vanaf dan ook opgenomen in de sterrenkring om Christus. Daarom zei Christus destijds tegen de moeder Salome dat zij later naast Hem zouden zitten! Na de dood van Jacobus gaan de beide Ikken weer ieder een eigen weg c.q. eigen incarnatie.

Bij nadere naspeuring word het duidelijk dat PW zich niet alleen orienteerd aan Judith von Halle maar ook aan 


Der Jahve-Elohim und das Mysterium des bulgarischen Volkes – erzengelmichaelblog (wordpress.com)


Nog meer van deze auteur 

voor wat meer achtergrond info zie hier en hier  en hier en hier  en hier en hier en hier en als de lezer werkelijk geïnteresseerd is kan hij het hele blog nalezen benevens de 2 geschreven artikelen 1 2.

oude inwijding 

St: wo die höheren Wesenheiten sind. Und nach diesen dreieinhalb Tagen riefihn derjenige, der ihn eingeweiht hatte, wiederum zurück, das heißt, er hatte dieMacht, ihn wieder erwachen zu machen. Da brachte der Betreffende mit das Wissender geistigen Welt. Jetzt konnte er hineinschauen in diese geistige Welt, und nunkonnte er werden ein Verkünder der Tatsachen der geistigen Welt für seine Mitmenschen.Immer mehr und mehr jedoch wurde das Band geschlossen zwischen Ätherleibund physischem Leib. Daher wurde diese Prozedur immer gefährlicher, denn dieMenschen gewöhnten sich immer mehr und mehr an die physische Sinnenwelt mitdem ganzen Bewußtsein. 112.110f


So können wir sagen, daß die Menschen mit derzunehmenden Kultur immer mehr und mehr der geistigen Welt entfremdet wurden. Die Eingeweihten, die in die höheren Gebiete der geistigen Welt hinaufsahen, wurden immer seltener, denn die Prozedur der Einweihung wurde immer gefährlicher. Immer schwieriger wurde es, dreieinhalb Tage in einem todähnlichen Zustand zuzubringen und den Ätherleib sich trennen zu lassen, ohne daß der Tod eintrat. Dadurch daß der Einzuweihende für das physische Bewußtsein bewußtslos war, kam er in die Herrschaft eines anderen Ich, das war immer damit verbunden. 112.114f 


en dit 1/232ff. GA264-10(Notiz von E. Vreede) Zarathustra „inkarnierte sich (von da ab als MeisterJesus) bald nach dem Verlassen der drei Hüllen des nathanischen Jesus (bei der Jordantaufe); sein Ich verband sich mit dem Ätherleib des salomonischen Jesus, der bei dessen Tod von der Mutter des nathanischen Jesus mit hineingenommen worden war in die geistige Welt.“Johannes Zebedaeus ist nicht Apostel im eigentlichen Sinn. Er ist mit seinem Bruder Jakobus („Söhne des Donners“) gewissermaßen eines, wie die Verstandes- und Gemütsseele zwei Aspekte der seelischen Entwicklung sind. Er ist der „Stellvertreter“ des Lazarus, der dann nach seiner Auferweckung als Johannes seinen Platz einnimmt und auch beim Abendmahl und in Gethsemane dabei ist. Steiner weist darauf hin, dass „unter den damals waltenden ganz anderen seelischen Gesetzen“ die Apostel ihre Leiber austauschen konnten. Lazarus ist der Verfasser des Johannes-Evangeliums.

Nog wat belangrijke feiten uit de spirituele economie.

    Ein Eingeweihter, der über einen Dharmakörper verfügt, hat die vollkommene Herrschaft über     seinen Astralleib und seinen Ätherleib erlangt, und kann diese nun auf andere Menschen     übertragen, die besondere Zukunftsaufgaben haben, und sich selbst einen neuen Ätherleib und     einen neuen Astralleib bilden. Das war beispielsweise bei Zarathustra der Fall, der seinen     Ätherleib Moses übergeben hat und seinen Astralleib an Hermes weiterleitete:

„Wer aber die Herrschaft schon hat über den Astral- und Ätherleib, der kann nun frei verfügen darüber. Er kann sich sagen: Dadurch, daß ich mit meinem Ich durchgemacht habe all die Verkörperungen, die mich gelehrt haben, meinen Astralleib und meinen Ätherleib so weit umzubilden, dadurch bin ich fähig geworden, mir, wenn ich wieder auf die Erde gehen soll, aus Äthersubstanz und Astralsubstanz einen neuen Astralleib und Ätherleib zu bilden, die ebenso vollkommen sind. — Und dadurch ist er imstande, den eigenen Astral- und Ätherleib, wie man sagt, hinzuopfern, ihn auf andere zu übertragen. Sie sehen also daraus, daß es Individualitäten gibt, welche dadurch, daß sie Herr in ihrem Astralleib und Ätherleib geworden sind, auch fähig werden, diesen Astralleib und Ätherleib hinzuopfern, weil sie gelernt haben, sich diese Dinge aufzubauen. Wollen sie wiederum auf die Erde, so werden sie sich neu aufbauen aus dem vorhandenen Material einen Astralleib und einen Ätherleib. Was sie aber in Vollkommenheit erreicht haben, übergeben sie anderen Persönlichkeiten, welche gewisse Aufgaben in der Welt zu bewirken haben. So werden späteren Persönlichkeiten solche Astral- und Ätherleiber von Persönlichkeiten der Vorzeit einverwoben, einverleibt. Wenn das geschieht, so sehen Sie, daß die Persönlichkeit der Vorzeit nicht bloß da wirkt, wo sie steht, sondern daß sie mit dem, was in ihr ist, noch in die Zukunft hineinwirkt.

So konnte zum Beispiel der Zarathustra, der fähig war, seinen Astralleib zu behandeln, und der ihn später hinübergeleitet hat in den Hermes, sich sagen: Ich lebe, aber ich werde nicht nur wirken, wie ich selber jetzt wirke als äußere Persönlichkeit, sondern ich durchwebe auch noch den Astralleib des ägyptischen Hermes, desjenigen, mit dem die ägyptische Kulturepoche beginnt. — Eine solche Persönlichkeit hat einen Körper, einen Kaya, welcher nicht nur an dem Orte wirkt, wo er ist, sondern welcher in die Zukunft hineinwirkt, welcher das Gesetz für die zukünftige Entwickelung abgibt. Gesetz in die Zukunft hinein heißt Dharma. Einen solchen Leib nennt man Dharmakaya. Das sind gewisse Ausdrücke, die häufig wiederkehren in der östlichen Wissenschaft.“ (Lit.:GA 110, S. 152)

Es entspricht dem Prinzip der spirituellen Ökonomie, dass hochentwickelte Ätherleiber oder Astralleiber, die der Dharmakaya umspannt, nach dem Tod nicht nur erhalten bleiben, sondern auch vervielfältigt und anderen Menschen einverwoben werden können oder selbst bereits aus einer solchen Vervielfältigung hervorgegangen sind (Lit.:GA 109, S. 287).


  Hiram is: Er ist der „Stellvertreter“ des Lazarus en in plaats van Zarathoestra  door     Christus zelf ingewijd en opgewekt uit de doodsslaap.

deren Entwickelung und für die Menschheit bedeutsamste Mission in merkwürdiger Weise derjenigen des Zarathustra parallel ging. Es war dies Lazarus, der wiedergeborene Hiram-Abiff, der bedeutungsvollste der Kainssöhne, 

  Zowel Hiram als Zarathustra waren ingewijden. Dat wil zeggen hun etherlichaam lost niet op na de dood. De hele constructie om het etherlichaam van Zebedeus erbij te halen is dan ook zinloos in het kader van de spirituele economie.

Das Prinzip der spirituellen Ökonomie besagt, dass die Ätherleiber und Astralleiber hoher Eingeweihter nach dem Tod nicht nur erhalten bleiben, sondern auch vervielfältigt werden können, um sie anderen Menschen einzuverweben, die besondere Zukunftsaufgaben zu erfüllen haben. Derartige Leiber werden in der östlichen Tradition als Dharmakaya (Gesetzeskörper) bezeichnet.

Nach diesem Prinzip wurden von Manu, dem Führer des atlantischen Sonnenorakel, die Ätherleiber die sieben größten Weisen der atlantischen Orakel aufbewahrt und später auf die sieben heiligen Rishis übertragen, die die urindische Kultur begründen sollten. „Nur der Ätherleib des großen Eingeweihten des Christus-Orakels wurde in gewisser Beziehung verschieden behandelt von diesen andern.“ (Lit.:GA 109, S. 13)

zie ook eerder artikel en hier en het laatste woord is hierover nog niet gesproken

Christus gebonden aan menselijke vermogens:

 JvH en haar volgers leggen grote nadruk op de wonderen die Christus verricht zou hebben.

Christus gebonden aan menselijke vermogens:


...; es muß nur eben angedeutet werden, daß jetzt die ChristusWesenheit mit den drei Leibern des Jesus von Nazareth wirklich in war. Das heißt, sie war herabgestiegen aus den geistigen Verbindung Höhen und nun an die Fähigkeiten der drei Leiber gebunden. Es wäre also falsch, wenn sich jemand vorstellen wollte, daß der Christus jetzt, weil er doch einer höheren Welt angehörte, aus der er herabgestiegen war, die höhere Welt gleich hätte anschauen können, Einblick in sie gehabt hätte. Das ist nicht der Fall. Wer das unverständlich findet, der soll doch einmal bedenken, was es heißt, daß einer ein Hellseher ist. Wer ist ein Hellseher? Sie alle sind Hellseher! Alle! Keiner ist da, der nicht ein Hellseher ist. Warum sieht er nicht hell? Weil er die Organe nicht ausgebildet hat, um sich der Kräfte, die in allen Menschen sind, zu bedienen. Es handelt sich nicht darum, daß wir Fähigkeiten haben, sondern darum, daß wir sie benützen können.
Die Christus-Wesenheit hatte alle möglichen Fähigkeiten, aber in den drei Hüllen des Jesus von Nazareth hatte sie nur die Fähigkeiten, die den drei Hüllen, den drei Leibern des Jesus von Nazareth entsprachen. Daher mußten sie auch so kompliziert vorbereitet werden, da die Fähigkeiten dieser drei Hüllen allerdings hohe Fähigkeiten waren, die mehr bedeuteten als die entsprechenden Fähigkeiten aller anderen Menschen auf der Erde. Aber der Christus war an sie gebunden,. so wahr, als Ihre hellseherischen Fähigkeiten an die Organe gebunden sind, die Sie haben und nur noch nicht benützen können. Das war
möglich durch die Fähigkeiten, welche die Zarathustra-Seele in den drei Leibern des Jesus von Nazareth zurückgelassen hatte, daß jetzt der Christus sich dieser Zarathustra-Fähigkeiten in ihrem Überreste in den drei Leibern bediente, um zunächst einer Wesenheit gegenüberzutreten, ..

..v....verder gaat het dan over de 3 verzoekingen kort na de doop in de woestijn

Christus weerstaat de tegenmachten die hem willen verleiden tot fysieke wonderen, tot toverkunsten niet alleen tijdens de 3 verzoekingen in de woestijn kort na Zijn doop. Maar later ook hangend aan het kruis waar hem voor geworpen word dat als hij een God is dat hij makkelijk van het kruis af kan komen. Dit was echter geenszins de intentie van de Mensenzoon.

In GA 131 word Jezus Christus ook vergeleken met een toen bestaande echte adept met bijna dezelfde biografie als JC. Daarbij is Christus volkomen mens en bezit geen wonderkrachten zoals een adept als Apollonius wel is. (zie ook)


JvH over doodskleed met Christus opvarend ten hemel 2x vliegend door de rotsen van het graf:

JvH over doodskleed met Christus opvarend ten hemel 2x vliegend door de rotsen van het graf:
En ook in het algemeen iets over de lijkwade

JvH: Nun muß ich wieder von einem Ereignis berichten, das der rein materiali-
stisch denkende Mensch für unmöglich halten muß: Indem der Geistleib des
Christus aus dem Grab heraufsteigt, wird das leiblich-stoffliche Leichentuch
für immer abgestreift, in sinnlicher und übersinnlicher Hinsicht. Es richtet
sich wie vom Wind getragen auf, schwebt mit dem auffahrenden Christus
hinauf ich betone ausdrücklich: es durchdringt der Stoff des Tuches den
Stoff des Felsens, der die Grabhöhle bildet - und fällt nach dem Abschluß des
Aufstiegs Christi zusammengerollt 
zurück in die Grabnische.  Seite152 aus Und wäre Er nicht auferstanden..."
Now I have to report an event that the purely material
man who thinks physically must be considered impossible: by the spirit body of the Christ rises from the grave becomes the bodily shroud stripped forever, sensually and supernaturally.  It judges as if carried by the wind, hovers with the ascending Christ
I expressly emphasize: the fabric of the cloth penetrates the
Material of the rock that forms the tomb - and falls after the completion of the Ascension of Christ curled up back to the niche.  Page 152 of And if He hadn't risen ... " june 2005

PS ik heb op dit moment nog niet geverifieerd of Anna Katharina Emmerich hetzelfde verkondigd *. En JvH heeft alvast een voorschot genomen degenen die dit niet geloven zijn materialisten!

*Addendum 18-4-23- ik heb nu toch het volgende bij Anna Katharina van Emmerich gevonden.


AKE:Nu zag ik de Heer verheerlijkt en lichtend door de
rots omhoog zweven
. De aarde beefde en een engel in
krijgsmansgestalte schoot gelijk een bliksem van de hemel neer
op het graf, schoof de steen ter rechterkant van de deur en ging
erop neerzitten (Mt. 28, 2-4). De schudding van de aarde was zo
hevig dat de lantaarnen waggelden en de vlam heen en weer
waaide. Toen de wachten dit zagen, werden zij als duizelig en
vielen te gronde: zij lagen stijf als doden en in een verwrongen
houding (Mt. 28, 4). Fascikel 32 713 blz. 713

Steiner over het doodskleed van Christus.

Das andere ist das, was ich schon einmal in Karlsruhe angedeutet habe und was auch in dem gedruckten Zyklus von Karlsruhe steht, was auch das Fünfte Evangelium zeigt, wie der physische Leib des Jesus von Nazareth gleichsam aufgesogen wurde von der physischen. Erde, denn als der Leichnam ins Grab gelegt war, hat in der Tat eine erdbebenartige Durchrüttelung der Erde stattgefunden, verbunden mit einem Sturm, so daß ein Erdspalt sich öffnete und den Leib aufnahm. Der Sturm wirbelte so, daß sich tatsächlich die eigentümliche Aufwickelung und Lage der Tücher ergab, die das Johannes-Evangelium schildert. Es schloß sich dann der Spalt, der sich durch das Erdbeben gebildet hatte, und so konnte der Leib natürlich nicht vorgefunden werden. Den Suchenden konnte nur die Antwort aus okkulten Regionen gegeben werden: Der, den ihr suchet, ist nicht mehr hier.
GA 148 blz.281  10-12-1913 

en

 Dann, als der Leib des Jesus herabgenommen wurde und in ein Grab gelegt war, ist das wiederum eine wirkliche Beobachtung, daß ein Naturereignis eintrat, wie etwas, was in das moralische Menschenleben hereintritt. Ein Wirbelwind entstand, ein Erdspalt bildete sich, der den Leib des Jesus aufnahm, während weggewirbelt wurden die Tücher von dem Leichnam. Erschütternd ist diese Beobachtung, daß die Anordnung der Tücher, wie sie im Johannes-Evangelium geschildert wird, sich wirklich dem anschauenden Blick ergibt.

Diese beiden Ereignisse: Erdenverfinsterung, Erdbeben und machtiger Wirbelwind, sie zeigen uns so an einem Punkte der Erdenentwickelung, wie die Naturereignisse zugleich mit geistigen Ereignissen eintraten. GA 148 blz 323  18-12-1913

en

 Am ersten Wochentage aber kommt Maria, die von Magdala, morgens frühe, da es noch dunkel war, zu dem Grabe, und sicht den Stein vom Grabe weggenommen. Da läuft sie und geht zu Simon Petrus und zu dem anderen Jünger, welchen Jesus lieb hatte, und sagt zu ihnen: Sie haben den Herrn aus dem Grabe genommen, und wir wissen nicht, wo sie ihn hingelegt haben. Da ging Petrus hinaus und der andere Jünger, und gingen zum Grabe. Es liefen aber die beiden miteinander und der andere Jünger lief voraus, schneller als Petrus, und kam zuerst an das Grab, und Neugte sich vor und sieht die Leintücher da liegen, hinein ging er jedoch nicht. Da kommt Simon Petrus hinter ihm drein, und er trat in das Grab hinein und sieht die Leintücher liegen, und das Schweißtuch, das auf seinem Kopf gelegen war, nicht bei den Leintüchern liegen, sondern für sich zusammengewickelt an einem besonderen Ort. Hierauf ging denn auch der andere Jünger hinein, der zuerst zum Grab gekommen war, und sah es und glaubte. GA 131 BLZ 140 10-10-1911 

en
ls er vom Kreuze herabgenommen wurde,
waren sozusagen die Teile noch zusammenhaltend, aber sie waren in keiner Verbindung mit dem Phantom, weil das Phantom von ihnen völlig frei war. Als der Leib dann mit gewissen Substanzen versetzt wurde, die dann wieder auf diesen Leib ganz anders wirkten als auf einen andern Leib, der einbalsamiert wird, da geschah es, daß sich die materiellen Stoffe nach dem Begräbnis rasch verflüchtigten, rasch in die Elemente übergingen. Daher fanden die Jünger, die nachschauten, die Tücher, mit denen er zugedeckt war, das Phantom aber, woran die Entwickelung des Ich hängt, das war aus dem Grabe auferstanden.
GA131 blz 187 12-10-1911 

Ik heb bij Steiner tot nog toe geen uitspraken gevonden over de lijkwade van Turijn of over het Zweetdoek van Veronica. Op beide zou een afbeelding van Christus gestaan hebben.

 Georg Blattmann erwägt den Gedanken, "daß es >>eine Art thermonuklearer Strahlenblitz<<, jedoch von kontrollierter und sozusagen >>sanfter<< Gewalt, eine hochintensive Strahlung von kurzer Dauer gewesen sein könne, welche das Bild dem Linnen aufgebrannt habe". (Lit.: Georg Blattmann, S. 41).

Wel is te lezen in bovenstaande citaten dat de positie waarin de doeken lagen zoals de discipelen ze ontdekten aanzetten tot grote verwondering, Als men het lijk van Christus gestolen zou hebben dan zouden ze hem in ieder geval niet naakt meegenomen hebben.



afbeeldingen lijkwade van Turijn, er zijn mensen die zeggen dat dit de lijkwade van Christus was

wat zien we echter?  voorhoofd en achterhoofd zitten tegen elkaar aan zie schets onder

                       daar mist nog een stuk schedeldak tussen voorhoofd en achterhoofd 
                        zeker minimaal 10cm

zie ook plaat verder onder hoe de lijkwade over voorkant schedel en achterkant van het lichaam gedrapeerd was




In dit blog is meer geschreven hoe Christus eruit gezien zou kunnen hebben. En hoe de lichamelijkheid van Christus zichtbaar waargenomen kon worden door zijn discipelen.

Danielle van Dijk heeft een boek over de lijkwade geschreven.

DvD:In mijn derde boek beschrijf ik het geheim van De Lijkwade van Turijn’. Eindelijk is aangetoond dat deze doek het authentieke doodskleed van Jezus is. Het gaat ook hier weer om de mens die een tweede hogere mens in zichzelf kan opwekken. Het gaat bij de Lijkwade om de mens Jezus en de goddelijke Logos, de Christus.

Ik heb haar boeken nog niet gelezen ook niet over Maria Magdalena, maar ze zijn inmiddels besteld via de bibliotheek. Of ze zich beroept op eigen helderziendheid of op eigen bron onderzoek blijft nog even een vraag. Maar dat ze aansluit bij Hans Stolp als het gaat over Maria Magdalena roept al vragen op.

*Update:Inmiddels heb ik haar boek over de lijkwade gelezen. Hieronder korte samenvatting van mij:

ze is op voorhand al overtuigd dat de lijkwade echt die van Christus is en ze steunt dat op wetenschappelijke onderzoeksresultaten na 2014. Het boek is dus niet in die zin een speurtocht want ze weet het al maw ze duidt alles wat ze vind in het kader van waarvan ze al overtuigd is.

                                        Zo stelt men zich voor dat de lijkwade toegepast werd.

Van dit plaatje gaat Danielle ook uit. Dat daarbij de zijkant van het lichaam onbedekt is vermeld ze niet.
Dan word er in het Johannes evangelie (de enige ooggetuige) nog het volgende vermeld..

Am ersten Wochentage aber kommt Maria, die von Magdala, morgens frühe, da es noch dunkel war, zu dem Grabe, und sicht den Stein vom Grabe weggenommen. Da läuft sie und geht zu Simon Petrus und zu dem anderen Jünger, welchen Jesus lieb hatte, und sagt zu ihnen: Sie haben den Herrn aus dem Grabe genommen, und wir wissen nicht, wo sie ihn hingelegt haben. Da ging Petrus hinaus und der andere Jünger, und gingen zum Grabe. Es liefen aber die beiden miteinander und der andere Jünger lief voraus, schneller als Petrus, und kam zuerst an das Grab, und Neugte sich vor und sieht die Leintücher da liegen, hinein ging er jedoch nicht. Da kommt Simon Petrus hinter ihm drein, und er trat in das Grab hinein und sieht die Leintücher liegen, und das Schweißtuch, das auf seinem Kopf gelegen war, nicht bei den Leintüchern liegen, sondern für sich zusammengewickelt an einem besonderen Ort. Hierauf ging denn auch der andere Jünger hinein, der zuerst zum Grab gekommen war, und sah es und glaubte.GA 131 BLZ 140 10-10-1911
. Als er vom Kreuze herabgenommen wurde,
waren sozusagen die Teile noch zusammenhaltend, aber sie waren in keiner Verbindung mit dem Phantom, weil das Phantom von ihnen völlig frei war. Als der Leib dann mit gewissen Substanzen versetzt wurde, die dann wieder auf diesen Leib ganz anders wirkten als auf einen andern Leib, der einbalsamiert wird, da geschah es, daß sich die materiellen Stoffe nach dem Begräbnis rasch verflüchtigten, rasch in die Elemente übergingen. Daher fanden die Jünger, die nachschauten, die Tücher, mit denen er zugedeckt war, das Phantom aber, woran die Entwickelung des Ich hängt, das war aus dem Grabe auferstanden.
GA131 blz 187 12-10-1911 
Daar Danielle van slechts die eene lijkwade uitgaat kan ze deze passages niet goed plaatsen dat er meerdere doeken en ook nog een zweetdoek gezien word. Ze zegt zich ook te baseren op esoterische bronnen, maar vermeld de wervelwind niet en ook niet het tot stof vergaan van het lichaam.
Ze merkt ook op dat Christus voor de 6e eeuw nog zonder baard afgebeeld word. En dat dat na die tijd anders geworden is dat wijt ze eraan dat mensen toen de lijkwade al gezien hebben. Steiner beschrijft dit baardeloze uiterlijk: (zie verderop onder)

Danielle beroept zich ook op Jakob Lorber (de schrijvende profeet) die gezegd zou hebben dat Jezus eigenhandig een brief aan Abgarus geschreven zou hebben. Ze vermeld zelfs de inhoud van deze brief. Als die eigenhandig door Christus geschreven brief echt bestond dan zou deze minstens evenveel belangstelling krijgen als de lijkwade. Ze speculeert er lustig op los en dat vermeld ze soms ook zelf. Hoe Johannes de linnen doeken beoordeelt en dan tot geloof gekomen zou zijn laat helemaal buiten beschouwing dat deze Johannes de opgestane Lazarus is die zeer diepe inwijdingsgeheimen verworven had ook over de aard van Christus. Hij hoefde echt geen beeltenis op een doek te zien om te weten wat er daadwerkelijk speelde. Zoals haar andere boek kan ze ook niet nalaten om te vertellen dat Christus en Maria Magdalena getrouwd zouden zijn. Dat motief komen we ook in new age kringen steeds vaker tegen. Haar benaming van het opstandingslichaam als lichtlichaam lijkt daarop te duiden.Tot zover Danielle van Dijk inzake de lijkwade.

Inzake het onwaarschijnlijke verhaal van Judith dat het doodskleed 2x dwars door de rotsmassa van het graf heen gegaan zou zijn wat van fysieke wonderen uitgaat is er nog een onderzoeksvraag of het opstandingslichaam van Christus naar boven naar de hemel zich bewoog of eerst naar beneden naar het middelpunt der aarde (ter helle). Namelijk het opvaren naar de Vader gebeurde pas nadat Maria Magdalena het opstandingslichaam van Christus gezien had. Dat er engelen met witte klederen werden waargenomen bij het graf had natuurlijk niets met fysieke klederen te maken.

Rudolf Steiner weist auf den Hinabstieg des Christus als Tatsache hin:

„...daß das Ereignis von Golgatha nicht bloß ein Ereignis für die physische Welt war, sondern hinübergewirkt hat in alle geistigen Welten, wie der Hinabstieg des Christus in die Unterwelt eine wirkliche Tatsache war, ...“ (Lit.:GA 118, S. 127f)

Höllenfahrt Christi. Indem Christus in einem menschlichen Leib den Tod mitmachte,konnte er unmittelbar nach diesem Tode etwas unternehmen, was zunächstseine früheren Göttergenossen nicht haben unternehmen können. [,,,]

[,,,] Dadurch, daß heruntergestiegen war der Christus auf die Erde, selber Mensch geworden war, konnte er hinuntersteigen in den Bereich dieser ahrimanischen Kräfte und sie besiegen, was eben in den Glaubensformeln mit dem Hinuntersteigen in die Hölle ausgedrückt wird. 223.33f

Diejenigen, welche den Christus in ihr Inneres aufnehmen, erhellen wieder das schattenhafte Leben im Devachan. Je mehr der Mensch hier erlebt von dem Christus, desto heller wird es drüben in der geistigen Welt. Dasjenige, was der Mensch mitbringt in das geistige Reich, in Anlehnung an dieses Ereignis, das ist eine Gabe,die mitgebracht werden kann aus der physischen Welt in die geistige Welt. Das ist die Kunde die Christus den Toten brachte in den dreieinhalb Tagen; er stieg herab zu den Toten, um sie zu erlösen. 106.156f 

Maria Magdalena ziet de opgestane Christus maar herkend hem niet direct, denkt dat hij de tuinman is. Ze wil hem aanraken maar dat voorkomt Hij zeggende dat hij nog niet opgevaren is, Noli me tangere.

Ook hiervan mogen we niet aannemen dat hij klederen aanhad in der gebruikelijke fysieke vorm zoals de lijkwade.


Als sie dies gesagt hatte, kehrte sie sich um und schaut Jesus dastehend, und erkannte ihn nicht. Sagt Jesus zu ihr: Weib, was weinst du? Wen suchst du? Sie, in der Meinung, es sei der Gartenhüter, sagt zu ihm: Herr, wenn du ihn fortgetragen, sage mir, wo du ihn hingelegt, so werde ich ihn holen. Sagt Jesus zu ihr: Maria! Da wendet sie sich und sagt zu ihm hebräisch: Rabbuni! das heißt: Meister. Sagt Jesus zu ihr: Rühre mich nicht an; denn noch bin ich nicht aufgestiegen zu dem Vater!»

JvH:    ""schwebt mit dem auffahrenden Christus hinauf ich betone ausdrücklich: es durchdringt der Stoff des Tuches den Stoff des Felsens, der die Grabhöhle bildet - und fällt nach dem Abschluß des Aufstiegs Christi zusammengerollt ""

Het opstijgen naar de Vader vind dus wss  pas later plaats. Voordien is eerst nog de gang naar het middelpunt der aarde, ter helle. Efeziërs 4:9

Over het ten hemel varen nog het volgende:

Rudolf Steiner spreekt over een passage uit het 14e hoofdstuk in een voordracht voor de priesters van de Christengemeenschap en zegt dan:


Nu wil ik nog meer als voorbeeld ingaan op een gedeelte uit het 14e hoofdstuk van het Johannes-evangelie, vers 28, dat gewoonlijk zo wordt gelezen: 
Als je me liefhad zou je blij zijn dat ik naar mijn Vader ga, want de Vader is meer dan ik. (NBV).
Ik geloof niet, beste vrienden, dat deze passage, wanneer die ons zo wordt voorgedragen, iedere keer een ander gevoel zal oproepen als dit: het is niet te begrijpen. 
Want wat men hoort zijn eigenlijk slechts woorden, en deze woorden stemmen niet overeen met alles wat in christelijke zin over de verhouding tussen Christus en de Vader gezegd moet worden. 
Maar ik maak u op het volgende opmerkzaam, dat de vertaling van dit stuk ten goede kan komen. 
Namelijk, dat juist in het sacrale spraakgebruik van vroeger tijden woorden niet op een manier werden gebruikt als wij dat heden ten dage doen. 
Wanneer wij tegenwoordig woorden gebruiken, gaan we ervan uit dat de woorden naast elkaar staan, en we verbinden de dingen precies met de woorden. 
Het een of andere woord betekent dit of dat. Maar zo is het in het sacrale spraakgebruik niet. 
Daar leidt men als in een levend proces het ene woord over naar het andere, zodat men het niet gerechtigd vond om zonder het bewustzijn van de samenhang zomaar het woord “kind” uit te spreken. 
Maar men moest in het woord “kind” voelen, dat daarin het groeiproces zit, en dat men in dit groeiproces dat zich met het wezen van het kind verbindt, de rechtvaardiging verkreeg (wanneer men het op de hele mensheid betrok) de ene keer het woord “kind”, de andere keer het woord ”jongeling” en dan zelfs het woord “grijsaard” te gebruiken. 
Er lag dus een bepaalde vloeibaarheid in het woordgebruik. Nu was er een verwantschap tussen dit spraakgebruik uit de mysteriën en het spraakgebruik van die tijd, dat het Mysterie van Golgotha voor de mensheid naderbij kwam. 
Men gebruikte toen – hoe vreemd dat ons ook mag voorkomen - afwisselend, zoals het ene in het andere kan overgaan, het woord “vader” en het woord “wereldgrond”. 
Maar men beleefde bij dit begrip, dat deze “wereldgrond” door de gebeurtenissen die in het Oude Testament zijn aangeduid – die dan ook weer bij Paulus helder worden aangegeven met de oude en de nieuwe Adam, door de val van de engelen waarmee ook de mens door de zondeval is gegaan – men beleefde dat deze “vaderlijke wereldgrond” allengs tot de dood voerde. 
Het was zo dat in de mysteriën een tijdlang ronduit het woord “vader” en het woord “dood” afwisselend werden gebuikt. 
Daarom moeten wij vertalen: Als je me liefhad zou je blij zijn dat ik in de dood ga, want de dood is meer (machtiger) dan ik. 
Er moet eigenlijk staan: “magischer” dan ik. Het woord “magisch” had in de oude mysterietaal altijd iets te maken met “machtig”. 
Zo wordt hier geduid op het overwinnen van de dood.
De leerlingen moesten zich dus verheugen, dat de Christus Jezus zich bereid verklaarde tot de Vader te gaan. 
Dat is echter in dit tijdperk: naar de dood toegaan.

uit: Rudolf Steiner: Vorträge und Kurse über christlich-religiöses Wirken (GA 343)
2e Priestercursus - 29e voordracht - Dornach, 10 oktober 1921 ‘s middags

In de visie van Joep Eikenboom:

In het evangelie Marcus (hfst. 16) staat: Hij zit aan de rechterhand van de Vader.

In het Credo van de Christengemeenschap heeft Rudolf Steiner het zo kunnen verwoorden:

"Toen overwon hij de dood na drie dagen.
Hij is sinds deze tijd Heer der Hemelkrachten op aarde 
en leeft als de volbrenger van de vaderlijke daden van de wereldgrond.”

Ik vat de hemelvaart dan ook niet op als een vertrek van Chrisus naar hoog gelegen hemelen, maar juist dat Hij zich blijvend met de aarde wilde verbinden.
Hij steeg op naar de ethersfeer, de levenssfeer rond de aarde, daar waar de welke hun thuis hebben.
“Van daar zal hij wederkomen”, of zoals het klonk in het katholiek Credo: 

"Die opgestegen is ten hemel,
zit aan de rechterhand van God,
de almachtige Vader;
Vandaar zal Hij komen oordelen
de levenden en de doden.”



Steiner heeft boven ook beschreven dat de middeleeuwse voorstelling van Christus met baard niet klopte.  In ieder geval is de gelijkenis van de lijkwade van Turijn met de door Steiner ontworpen houtsculptuur de mensheidsrepresentant niet erg groot. Dus wat de lijkwade wel is blijft nog een geheim ondanks veel onderzoeken met 3D beelden en stuifmeel onderzoek die er al uitgevoerd zijn .Er is heel veel moderne techniek op losgelaten.


Deshalb haben wir im Osten
des Baues aufzustellen dasjenige, was den Menschen empfinden lassen
kann dieses Streben nach Gleichgewicht. Und das soll in der gestern
erwähnten plastischen Holzgruppe zur Darstellung kommen, die als
Mittelpunktsfigur hat die Christus-Gestalt, die Christus-Gestalt, die
versucht worden ist so zu gestalten, daß man sich vorstellen kann: So
hat wirklich der Christus in dem Menschen Jesus von Nazareth gewandelt
im Beginne unserer Zeitrechnung in Palästina. Die konventionellen
Bilder des bärtigen Christus
, sie sind ja eigentlich erst Schöpfungen
des 5., 6. Jahrhunderts, und sie sind wahrhaftig nicht irgendwie,
wenn ich den Ausdruck gebrauchen darf, porträtgetreu
. Das ist versucht
worden: einen porträtgetreuen Christus zu schaffen, der der
Repräsentant zugleich sein soll des suchenden, des nach Gleichgewicht
GA 194, 13-12-1919 Sendung Michaels.



Steiner stelt ook nog dat er geen fysiek bewijs bestaat voor het bestaan van Christus.
Dus ook de pogingen om dat bestaan aan de hand van een lijkwade te bewijzen voldoet niet aan de criteria dat alleen bovenzinnelijk onderzoek dit bewijs kan leveren.

Zo stelt men zich ongeveer voor dat het graf van Christus eruit gezien moet hebben.



Er word bericht dat de steen van zijn plaats geraakt is door een aardbeving maar ook door de handeling van een engel. Het is natuurlijk heel goed voorstelbaar dat dit samenging.

Er is een mooi verhaal  van  Irene Johanson over deze bijzondere steen.

Graftombe van Josef van Arimathea WAT DE GROTE STEEN BELEEFDE een verhaal van Irene Johanson Rond om de stad Jeruzalem lag vooral rotsachtig land. Heel lang geleden lag er voor een grote rots in de buurt van de stad een tuin. Deze tuin was van een rijke man die er vaak zijn tuinmannen heen stuurde om het gras te maaien of om de olijven te plukken die aan de bomen hingen. Meer mensen kwamen er meestal niet. Het was altijd stil en vriendelijk in de tuin. Alleen de vogels zongen en de wind streelde het zilvergroene blad aan de bomen. Maar op een dag kwamen er mannen de tuin in. Ze hadden houwelen bij zich en begonnen op de rots in te hakken zodat de stukken er vanaf vlogen. Eerst ontstond er een klein gat, maar dat werd al groter. De stukken die eruit werden geslagen rolden in het gras en tot slot hadden de mannen een flinke grot in de rots gehouwen. Met het allergrootste stuk steen gingen ze nog even verder. Daar sloegen ze alle hoeken en scherpe kanten vanaf tot hij zo rond was als een molensteen. “Dat moet later de deur worden als we de grot dicht maken”, zeiden zij en ze rolden hem een eindje bij het gat vandaan. Daar lag de steen nu alleen en onbeschermd in het gras. De wind blies over hem heen. De regendruppels vielen op hem. De zon liet hem gloeiend heet worden. Zelfs zo dat hij soms dacht dat hij zou barsten. “Ach”, dacht de steen, “wat was het toch goed om mij heen toen ik nog helemaal in de vaderrots zat. Ik zat helemaal in hem en hij zat helemaal om mij heen. Wat ik nu allemaal moet meemaken valt helemaal niet mee. Ik zou het wel uit kunnen houden als ik maar wat dichter bij hem zou zijn, wanneer ik hem een beetje kon zien en met hem kon praten.” Maar de steen lag een eind van de vaderrots vandaan, vrij en onbeschermd. Hij wist nog niet dat hij een heel bijzondere steen zou worden. Op een nacht, toen er geen ster aan de hemel stond hoorde de steen een akelig gekerm. Hij dacht: “Is hier iemand die bedroefd is?” Hij luisterde en opeens merkte hij dat het de aarde zelf was die uit de diepte naar de hemel riep. Het was alsof de grot die de mannen hadden uitgehakt nu net de mond van de aarde was geworden van waaruit haar klacht 's nachts naar buiten kwam. Ze klaagde: “Ach, ik ben zo moe. Ik ben al mijn kracht kwijt geraakt. Ik kan de planten niet meer hoog laten groeien. Ik kan het water niet meer laten opborrelen. Ik ben zo zwak. Alles doet me pijn. Kon ik maar uit de diepte omhoog komen, naar de zon opstijgen en bij haar weer jong en sterk worden. Zon, kom mij halen alsjeblieft.” De steen, die Moeder Aarde zo hoorde klagen, was bang dat ze zou sterven. Iedere nacht hoorde hij haar kreunen. Daarom begon ook de steen naar de zon te roepen: “Zon, luister toch naar de klacht van Moeder Aarde! Alsjeblieft, lieve zon, help de aarde.” Maar de zon kon de aarde niet laten opstijgen. Daarom moest de steen iedere nacht het klagen van Moeder Aarde aanhoren en hij kon haar niet helpen. Een tijd later, toen de zon hoog aan de hemel stond en geen wolken te zien waren, werd het felle middaglicht vaal en mat. De zon verduisterde. En midden op de dag werd het zo donker als in de nacht. Iedereen in de tuin werd bang, de dieren, de bomen, de bloemen, maar ook de steen. Maar het meest schrok de aarde. Ze beefde zo hard dat alles heen en weer schudde. De steen riep: “O, nu zal de aarde sterven. De zon laat haar in de steek.” Het was de moeilijkste tijd voor de aarde en voor alles wat er op leefde. “Was ik maar in de buurt van de vaderrots, was ik nou maar in de buurt van de grot waaruit het gekreun kwam. Ik wil zo graag Moeder Aarde troosten”, zuchtte de steen. Net toen hij dat gedacht had zag de steen mensen de tuin in komen. Langzaam en voorzichtig. Tussen hen in scheen een zwak schijnsel. Toen zij dichterbij kwamen zag de steen dat zij een mens droegen die overleden was. Daar kwam dat schijnsel vandaan, dat was als van de zon die door dikke wolken schijnt? Ze legden hem in het rotsgraf, precies op de plek waar de steen in de rots had gezeten voor hij daaruit gehakt was. Voor de steen goed en wel door had wat er aan de hand was kwamen er mannen naar hem toe, zetten hem overeind en rolden hem naar de grot waar de lichtende mens in lag. De steen was nu de deur van het graf geworden en tegelijk stond hij er dicht tegenaan. Zijn grote wens was vervuld. Hij was weer dicht bij de vaderrots en hij kon het hart van Moeder Aarde voelen kloppen. ’s Nachts wachtte hij tot hij de klacht van Moeder Aarde weer zou horen. Maar de mond waaruit het geklonken had, de grot, was nu dicht. De lichtende mens lag erin en hij zelf, de steen, lag ervoor. Ineens hoorde de steen een lichte toon die uit het binnenste van de aarde naar boven kwam. Het klonk vrolijk en onbeschrijflijk mooi. Wat hoorde de steen? Toen hij even had geluisterd herkende hij wie het was. Het was Moeder Aarde die zong. En de steen verstond wat de aarde zong: Ik ben weer nieuw, ik heb weer moed. De Zonnemens is bij mij gekomen. Met zijn lichaam en zijn bloed Vervult hij al mijn dromen. Ik ben weer jong, ik ben weer sterk. Ik kan weer heerlijk aan het werk. Zon en aarde zijn weer een. Leven, zonnekracht voor iedereen! Dank, dank aan de zoon van God. Mij, Moeder Aarde, wacht een heerlijk lot! Toen de steen het lied van de aarde hoorde werd hij zo vrolijk en zo rustig als een kind, dat door zijn moeder in slaap gezongen wordt. Het werd helemaal stil in de tuin. Dag en nacht bewoog er helemaal niets. De aarde liet zich niet meer horen. Geen zuchtje wind bewoog de blaadjes. Geen vogel tsjilpte, geen krekel sjirpte. Ook de steen zweeg en wachtte. Hij dacht dat Moeder Aarde in haar binnenste een groot geheim verborgen hield. Nog voor het dag was werd de steen plotseling opzij gerold maar nu niet door mensenkracht. De aarde beefde, maar de steen merkte dat het nu niet van schrik was, maar van geluk. Wat was er gebeurd? Daar waar hij gelegen had stond een stralende gestalte, de Zonnemens. Hij was uit het rotsgraf opgestaan. Niet meer zwak schijnend als door dikke wolken, maar stralend als een hemels licht. Hij overstroomde de steen met zijn lichte stralen, liep door de tuin en verdween toen zacht. De steen was de enige die dit alles had gezien. Toen hij de Zonnemens nog nakeek, daalde er een engel uit de hemel neer op de steen. De zon kwam achter het rotsgraf op. Mensen kwamen in de tuin en zochten in de grot naar de mens die ze daar gisteren hadden neergelegd. Die keken geschrokken naar de steen die voor de grot vandaan was gerold en naar de lege plek waar hij had gelegen. Ze dachten: “Boze mensen hebben onze liefste mens meegenomen.” De steen wilde hen troosten en vertellen wat hij die morgen had gezien. Maar mensen verstaan stenen niet. De steen vroeg gelijk aan de engel, want engelen verstaan wel stenen,: “Vertel jij hen wat er is gebeurd.” De engel deed wat de steen vroeg en zei tegen de verdrietige mensen: “Die jullie zoeken, hier is hij niet. Hij is opgestaan en zal jullie overal in je leven voorgaan.” De steen heeft alles onthouden wat hij heeft meegemaakt en alle stenen weten het nu ook. Sinds die tijd gebeurt het vaak dat mensen bij een wandeling langs een oeroude steen lopen en bij zichzelf denken; “Als die steen eens kon praten, wat zou hij dan ons vertellen?” Op zo’n moment weet de mens bijna het geheim van de grote steen, die erbij was toen de Zonnemens, de Zoon van God, in het graf werd neergelegd en weer is opgestaan. (wordt vervolgt) uit: Irene Johanson: Geschichten zu den Jahresfesten Verlag Urachhaus Stuttgart vertaling: B.Verschoor

 de steen word in diverse evangeliën genoemd:

Onderstaand eea ontnomen uit de perikopen van Joep Eikelenboom. (gedeeltelijk doublure tekst met eerder genoemde teksten)

Na de sabbat, bij het aanbreken van de eerste dag van de week, kwamen Maria Magdalena en de andere Maria bij het graf kijken. Op dat moment ontstond er een geweldige aardbeving, want een engel van de Heer daalde neer uit de hemel, kwam naderbij, wentelde de steen weg en liet zich erop neer. Zijn gedaante was als de bliksem en zijn gewaad wit als sneeuw. De wachters beefden van vrees voor hem en zij werden als doden. De engel nam het woord en sprak tot de vrouwen: ‘Jullie, wees niet bevreesd. Ik weet dat jullie Jezus, de gekruisigde, zoeken. Hij is niet hier, want hij is opgestaan, zoals hij heeft gezegd. Kom en zie de plaats waar hij heeft gelegen.

(Matt.28:1-6)

Toen de sabbat voorbij was, kochten Maria van Magdala en Maria de moeder van Jakobus, en Salome geurige kruiden om hem te balsemen. Nog vroeg in de ochtend van de eerste dag van de week kwamen ze bij het graf; de zon was juist opgegaan. Ze zeiden tegen elkaar: ‘Wie zal voor ons de steen voor de ingang van de grafkamer wegrollen?’ Maar toen ze opkeken, werden zij gewaar, dat de steen al was weggerold. Deze steen was zeer groot. Binnengegaan in de grafkamer, zagen zij aan de rechterzijde een jongeling zitten bekleed met een wit lang gewaad, en zij schrokken. Maar hij sprak tot hen: ‘Schrik niet! Jullie zoeken Jezus, de Nazarener, de gekruisigde. Hij is opgestaan, hier is hij niet. Hier is de plaats waar zij hem hebben neergelegd.
(Mrc.16:1-6)

Op de eerste dag van de week gingen zij in de vroege ochtendschemering naar het graf, met de balsemkruiden, die ze hadden bereid. Zij vonden de steen voor de grafkamer weggerold, en toen ze naar binnen gingen, vonden ze het lichaam van de Heer Jezus niet.
Terwijl zij daarover verbijsterd waren, stonden er twee mannen in stralend witte gewaden bij hen. Toen zij van schrik het hoofd naar de grond bogen, zeide de mannen tegen hen: ‘Waarom zoeken jullie de levende bij de doden? Hij is niet hier, want hij is opgestaan. Herinner je wat hij tegen jullie sprak, toen hij nog in Galilea was en zei: De Mensenzoon moet in de handen van de zondige mensen worden overgeleverd en worden gekruisigd en op de derde dag opstaan? Nu herinnerden ze zich zijn woorden.
(Luc.24:1-8)

Ga snel op weg en zeg tegen zijn leerlingen: Hij is opgestaan uit de doden; en kijk, hij gaat jullie voor naar Galilea; daar zullen jullie hem aanschouwen. Let op, ik heb het jullie verzegd.
Zij gingen snel weg bij het graf, vervuld van eerbiedige vrees en grote vreugde, en liepen naar zijn leerlingen om het bericht over te brengen. Daar kwam Jezus hen tegemoet en sprak: Wees gegroet. Ze gingen naar hem toe, grepen zijn voeten en lagen in aanbidding voor hem neer. Toen zei Jezus tegen hen: ‘Wees niet bevreesd, ga mijn broeders en zeg hun, dat zij naar Galilea moeten gaan; daar zullen zij mij zien.’
(Matt.28:7-10)

Maar ga nu tegen zijn leerlingen en tegen Petrus zeggen: Hij gaat jullie voor naar Galilea; daar zullen jullie hem zien, zoals hij jullie heeft gezegd. Buiten gekomen vluchtten weg bij het graf, want ze beefden schrik en waren buiten zichzelf. Ze waren zo otzet dat ze tegen niemand iets zeiden.
(Mrc.16:7-8)

Herrezen op de eerste dag van de week verscheen hij eerst aan Maria van Magdala, bij wie hij zeven demonen had uitgedreven. Ze ging de boodschap vertellen aan hen die steeds bij hem geweest waren en die nu treurden en weenden. Maar toen zij hoorden dat hij leefde en dat zij hem had gezien, geloofden ze het niet.
(Mrc.16:9-11)

Het waren Maria van Magdala en Johanna en Maria, de moeder van Jakobus. Ook enkele andere vrouwen die bij hen waren, zeiden het tegen de apostelen. Die beschouwden het als kletspraat en zij geloofden hen niet. Maar Petrus stond op en liep naar de grafkamer. Toen hij zich bukte, zag hij alleen de linnen doeken liggen; hij ging weer weg, met verwondering denkend aan wat hij had gezien.
(Luc.24:10-12)

Op de eerste dag van de week, in de vroege morgen, terwijl het nog donker is, komt Maria Magdalena bij het graf. En zij ziet, dat de steen van de grafstede is weggenomen. Ze loopt naar Simon Petrus en de andere leerling, hij die Jezus liefhad, en zegt tegen hen: Zij hebben de Heer uit de grafkamer weggehaald en wij weten niet waar ze hem hebben neergelegd. Toen begaven Petrus en de andere leerling zich op weg en gingen naar het graf. Ze liepen samen, maar de andere leerling liep vooruit, sneller dan Petrus, en hij kwam als eerste bij de grafkamer. En toen hij zich voorover bukte, zag hij de doeken die daar lagen, maar hij ging niet naar binnen. Daarna kwam ook Simon Petrus, die hem volgde, en ging de grafkamer binnen. Hij zag de doeken die daar lagen; de zweetdoek die zijn hoofd had bedekt, lag niet bij de andere doeken, maar afzonderlijk ineengerold op een andere plaats. Nu ging ook de andere leerling, die het eerst bij het graf was gekomen, naar binnen en hij zag en geloofde. Want voor die tijd hadden zij het schriftwoord niet begrepen, dat hij zou opstaan uit de dood. De leerlingen keerden daarna weer naar huis terug.
Maria was wenend bij het graf blijven staan. Nog altijd wenend boog zij zich voorover om in de grafkamer te kijken en zij ziet twee engelen in witte gewaden, één zittend aan het hoofdeind en één aan het voeteneind van de plaats waar het lichaam van Jezus had gelegen. Zij vragen haar: Vrouw, waarom ween je? Zij zegt tegen hen: Zij hebben mijn Heer weggenomen en ik weet niet waar ze hem hebben neergelegd.
Toen zij dit gezegd had, keek zij om en zag achter zich Jezus staan, maar ze begreep niet, dat het Jezus was.
Jezus zegt tegen haar: Vrouw, waarom ween je, wie zoek je? Zij meent dat het de tuinman is en zegt tegen hem: Heer, als jij hem hebt weggebracht, zeg mij waar je hem hebt neergelegd; dan zal ik hem halen. Jezus zegt tegen haar: Maria! Ze draait zich om en zegt in het Hebreeuws: Rabboeni! - Dat betekent: meester. Jezus zegt tegen haar: Houd me niet vast. Want ik ben nog niet opgestegen naar de Vader. Maar ga naar mijn broeders zeg hun: ik stijg op naar mijn Vader jullie Vader, mijn God en jullie God. Zo komt Maria Magdalena ging bij de leerlingen met de boodschap: Ik heb de Heer gezien en dit is wat hij tegen heeft gezegd.
(Joh.20:1-18)

Daarna verscheen hij in een andere gedaante aan twee van hen toen die onder weg waren en over de velden liepen. Zij keerden terug en brachten de anderen de boodschap, maar ook hen geloofd zij niet. (Mrc.16:12-13)

Op dezelfde dag waren ook twee van hen onderweg naar een dorp, zestig stadie van Jeruzalem gelegen, Emmaüs genaamd. Zij spraken met elkaar over alle gebeurtenissen. Terwijl zij zo spraken en van gedachten wisselden, kwam Jezus zelf naderbij en ging met hen mee. Maar hun ogen waren bevangen, zodat ze hem niet herkenden. Hij zei tegen hen: Wat zijn het voor gesprekken die jullie zo onderweg met elkaar voeren? Toen bleven ze met een droevig gezicht staan.
Een van hen, die Kléopas genaamd, gaf hem antwoord: Ben jij de enige vreemdeling in Jeruzalem, dat niet weet wat daar deze dagen is gebeurd? Hij zei tegen hen: Wat bedoel je? Zij zeiden tegen hem: Wat er is gebeurd met Jezus de Nazarener, een profeet was, machtig in woord en daad voor God en het hele volk; en hoe onze hogepriesters en de Hoge Raad hem hebben overgeleverd o, hem ter dood laten veroordelen en te kruisigen. Wij hoopten zelfs, dat hij de verlosser van Israël zou worden. Maar al met al is het nu de derde dag sinds dit alles is gebeurd. Bovendien hebben enige vrouwen uit onze kring ons in verwarring gebracht. Zij kwamen in de vroege ochtend bij het graf, maar hebben zijn lichaam niet gevonden en zij kwamen zeggen, dat zij zelfs een verschijning van engelen hadden gezien, die zeiden dat hij leeft. Enigen van ons zijn naar het graf gegaan en hebben alles aangetroffen, zoals de vrouwen hadden gezegd; maar hem hebben zij niet gezien.
Toen sprak hij tot hen: O onwetenden, met te trage harten om te geloven in alles wat de profeten hebben gezegd. Moest de Christus niet op deze wijze lijden om zijn eigenlijke wezen te kunnen openbaren? En beginnend bij Mozes en alle profeten legde hij hun uit wat in al de geschriften over hem is geschreven.
Zo naderden zij het dorp waarheen ze op weg waren en hij maakte aanstalten, verder te gaan. Toen drongen zij bij hem aan: Blijf bij ons, want het is tegen de avond en de dag is al ten einde. En hij ging naar binnen en bleef bij hen. En terwijl hij met hen aan tafel aanlag, nam hij het brood, zegende en brak het en gaf het hun. Toen werden hun ogen geopend en zij herkenden hem. Maar hij werd onzichtbaar voor hen. Zij zeiden tegen elkaar: Brandde ons hart niet in ons, terwijl hij onderweg met ons sprak en de schriften voor ons opende? En onmiddellijk stonden zij op en keerden naar Jeruzalem terug. Daar vonden zij de elf en de anderen bijeen, die hen ontvingen met de woorden: De Heer is werkelijk opgestaan en is aan Simon verschenen. Zij vertelden wat er onderweg was gebeurd en hij zij hem onder het breken van het boord hadden herkend. Terwijl zij hierover spraken, stond hij zelf in hun midden staan en sprak: Vrede zij met jullie.
(Luc. 24:13-36)

Het laatst verscheen hij aan de elf terwijl ze aan tafel aanlagen. Hij verweet hun hun ongeloof en de verharding van hun hart, omdat ze hen die hem hadden geschouwd nadat hij was herrezen, niet hadden geloofd.
(Mrc.16:14)

Toen het avond was geworden op die dag, de eerste dag van de week, en de deuren van het vertrek waar de leerlingen waren uit vrees voor de Joden, waren gesloten, kwam Jezus. Hij stond in hun midden en zei tegen hen: Vrede zij met jullie. En bij deze woorden toonde hij hun zijn handen en zijn zijde. De leerlingen waren vol vreugde toen zij de Heer zagen. Nogmaals zei hij tegen hen: Vrede zij met jullie. Zoals de Vader mij heeft gezonden, zo zend ik jullie. En toen hij dit had gezegd, liet hij zijn adem naar hen toestromen en zei tegen hen: ontvang heilige Geest! Van wie je de zonden afneemt, die zijn daarvan bevrijd; wie je de zonden laat behouden, die blijven eraan gebonden. (Joh.20:19-23)




woensdag 23 november 2022

5 nieuwe boeken van JvH

 Infobrief Nr.32

over het werk van

Judith von Halle

20 november 2022

Redactie: Kitty Steinbuch

Damhertlaan 129

3972 DD Driebergen

Tel. 06 30 6709 40

E-mail: steinb@dds.nl



Persönlich-Unpersönliches. Entstehungsgeschichte und ausführliches Inhaltsverzeichnis zum Werk Das Wort in den sieben Reichen der Menschwerdung. Eine Rosenkreuz-Meditation Band I bis V

Verlag für Anthroposophie, CH-4143 Dornach, 2022; 89 pagina‘s, € 12.- ISBN 978-3-03769-063-5.

Nederlands vertaling:

Persoonlijk-onpersoonlijks. Ontstaansgeschiedenis en uitgebreide inhoudsopgave van Het Woord in de zeven rijken van de menswording.

Een Rozenkruismeditatie. Deel I tot en met V.

Uitgeverij Cichorei, Amsterdam; 84 Pagina’s, € 12,-. ISBN 978 90 832755 1 2

Na een dringende oproep uit de geestelijke wereld, die plaatsvond in 2009, heeft Judith von Halle zich uiteindelijk vijf jaar geleden teruggetrokken om een boek te schrijven dat het werk, waaraan zij reeds was begonnen (bijdragen tot inzicht in het Christusmysterie), op een nieuwe manier zou verdiepen en rijker zou maken. Het werk, dat uit vijf delen bestaat, is nu afgerond en zal heel binnenkort verschijnen.

Om de mogelijkheid te geven tot een ‘inzage vooraf’, wordt in dit boekje de uitgebreide inhoudsopgave van het totale werk gepresenteerd.

Dringende vragen van deze tijd, waaraan tot nu toe bijna uitsluitend is gewerkt vanuit de natuurwetenschappelijke kant, worden beantwoord vanuit het perspectief van bovenzinnelijk inzicht.

De uitgebreide inhoudsopgave wordt voorafgegaan door een openhartige beschrijving van de ontstaansgeschiedenis van het werk.

Het werk, dat uit vijf delen bestaat, onderscheidt zich in zoverre van de andere boeken van de schrijfster dat de inhoud hiervan wel door haar geesteswetenschappelijke inspanning aan het licht is gebracht, maar dat de grondslag daarvan de wil van de hogere werelden is waaruit de roep aan haar had geklonken om dit werk te schrijven.

maandag 28 maart 2022

Geistesforschung ist Verwandlung des Denkens – nicht Hellsehen

 Geistesforschung ist Verwandlung des Denkens –

nicht Hellsehen

Vortrag von Rudolf Steiner
Stuttgart, 13. November 1909

1.   Sollte Hellsichtigkeit vor dem Ausbau des gewöhnlichen Denkens entwickelt werden?
2.   Der Nicht-Hellseher braucht Geisterkenntnisse nicht auf hin Autorität annehmen
3.   Überprüfung geistiger Forschungsergebnisse durch das gewöhnliche Denken und physische Dokumente
4.   Unerlässliche Notwendigkeit der Prüfung an den physischen Tatsachen

5.   Von der Schwierigkeit zu verstehen, warum denkerische Anstrengung wesentlich ist
6.   Jetzt ist das Zeitalter des bewussten Denkens – nicht der Hellsichtigkeit
7.   Alle Menschen waren früher hellsichtig – warum erinnern sie sich nicht an frühere Inkarnationen?
8.   Hellsichtigkeit ist nicht eine Fähigkeit des Ich – sondern das Unterscheidungsvermögen

9.   Die Götter besitzen kein Unterscheidungsvermögen – deswegen haben sie den Menschen geschaffen
10. Hellsichtig erschaute Bilder sind keine Wirklichkeit
11. Der denkerische Hellseher hat die geistige Tatsache begriffen, bevor er sie übersinnlich schaut
12. Der Nicht-Hellseher hat durch sein vernünftiges Begreifen den vollen Wert der übersinnlichen Mitteilung

13. Hellsichtige Erfahrungen sind nutzlos nach dem Tod – was hilft sind selbst erarbeitete Gedanken
14. Versinnbildlichungen der geistigen Welt gehören nicht der geistigen Welt an
15. Tausendmal besser ist es, Geisteswissenschaft zu kennen und noch nichts zu sehen
16. Ungeheurer, nicht bemerkter Hochmut bei gewissen Hellsehern

17. Die notwendige Denkarbeit drängt die Hellsichtigkeit zunächst zurück
18. Hellsichtigkeit ohne vorausgegangene Denkschulung kann immer wieder verloren gehen
19. Aufgabe der wirklichen Geheimwissenschaft in der Gegenwart ist gedankendurchdrungene Forschung
20. Jeder soll verstehen, daß es nicht darauf ankommt, Mitteilungen aus den höheren Welten zu bekommen

21. Statt Gier nach Hellsehen: durch gewissenhaftes, gründliches Nachdenken die Welt überzeugen
22. Der nicht-denkerische Hellseher verfällt dem Erkenntnis-Hindernis seines Gehirndenkens
23. Biographisches Intermezzo
24. Der visionäre Hellseher lebt in einem vollständigen Missverhältnis zur physischen Realität

25. Die Schäden welche das nicht-denkerische Hellsehen verursacht
26. Überheblichkeit, Hochmut, Grössenwahn – oder die eigene Überzeugung als heiligste Angelegenheit
27. Schlussworte