Van dit plaatje gaat Danielle ook uit. Dat daarbij de zijkant van het lichaam onbedekt is vermeld ze niet.
Ze merkt ook op dat Christus voor de 6e eeuw nog zonder baard afgebeeld word. En dat dat na die tijd anders geworden is dat wijt ze eraan dat mensen toen de lijkwade al gezien hebben. Steiner beschrijft dit baardeloze uiterlijk: (zie verderop onder)
Danielle beroept zich ook op Jakob Lorber (de schrijvende profeet) die gezegd zou hebben dat Jezus eigenhandig een brief aan Abgarus geschreven zou hebben. Ze vermeld zelfs de inhoud van deze brief. Als die eigenhandig door Christus geschreven brief echt bestond dan zou deze minstens evenveel belangstelling krijgen als de lijkwade. Ze speculeert er lustig op los en dat vermeld ze soms ook zelf. Hoe Johannes de linnen doeken beoordeelt en dan tot geloof gekomen zou zijn laat helemaal buiten beschouwing dat deze Johannes de opgestane Lazarus is die zeer diepe inwijdingsgeheimen verworven had ook over de aard van Christus. Hij hoefde echt geen beeltenis op een doek te zien om te weten wat er daadwerkelijk speelde. Zoals haar andere boek kan ze ook niet nalaten om te vertellen dat Christus en Maria Magdalena getrouwd zouden zijn. Dat motief komen we ook in new age kringen steeds vaker tegen. Haar benaming van het opstandingslichaam als lichtlichaam lijkt daarop te duiden.Tot zover Danielle van Dijk inzake de lijkwade.
Inzake het onwaarschijnlijke verhaal van Judith dat het doodskleed 2x dwars door de rotsmassa van het graf heen gegaan zou zijn wat van fysieke wonderen uitgaat is er nog een onderzoeksvraag of het opstandingslichaam van Christus naar boven naar de hemel zich bewoog of eerst naar beneden naar het middelpunt der aarde (ter helle). Namelijk het opvaren naar de Vader gebeurde pas nadat Maria Magdalena het opstandingslichaam van Christus gezien had. Dat er engelen met witte klederen werden waargenomen bij het graf had natuurlijk niets met fysieke klederen te maken.
Rudolf Steiner weist auf den Hinabstieg des Christus als Tatsache hin:
„...daß das Ereignis von Golgatha nicht bloß ein Ereignis für die physische Welt war, sondern hinübergewirkt hat in alle geistigen Welten, wie der Hinabstieg des Christus in die Unterwelt eine wirkliche Tatsache war, ...“ (Lit.:GA 118, S. 127f)
Höllenfahrt Christi. Indem Christus in einem menschlichen Leib den Tod mitmachte,konnte er unmittelbar nach diesem Tode etwas unternehmen, was zunächstseine früheren Göttergenossen nicht haben unternehmen können. [,,,]
[,,,] Dadurch, daß heruntergestiegen war der Christus auf die Erde, selber Mensch geworden war, konnte er hinuntersteigen in den Bereich dieser ahrimanischen Kräfte und sie besiegen, was eben in den Glaubensformeln mit dem Hinuntersteigen in die Hölle ausgedrückt wird. 223.33f
Diejenigen, welche den Christus in ihr Inneres aufnehmen, erhellen wieder das schattenhafte Leben im Devachan. Je mehr der Mensch hier erlebt von dem Christus, desto heller wird es drüben in der geistigen Welt. Dasjenige, was der Mensch mitbringt in das geistige Reich, in Anlehnung an dieses Ereignis, das ist eine Gabe,die mitgebracht werden kann aus der physischen Welt in die geistige Welt. Das ist die Kunde die Christus den Toten brachte in den dreieinhalb Tagen; er stieg herab zu den Toten, um sie zu erlösen. 106.156f
Maria Magdalena ziet de opgestane Christus maar herkend hem niet direct, denkt dat hij de tuinman is. Ze wil hem aanraken maar dat voorkomt Hij zeggende dat hij nog niet opgevaren is, Noli me tangere.
Ook hiervan mogen we niet aannemen dat hij klederen aanhad in der gebruikelijke fysieke vorm zoals de lijkwade.
Als sie dies gesagt hatte, kehrte sie sich um und schaut Jesus dastehend, und erkannte ihn nicht. Sagt Jesus zu ihr: Weib, was weinst du? Wen suchst du? Sie, in der Meinung, es sei der Gartenhüter, sagt zu ihm: Herr, wenn du ihn fortgetragen, sage mir, wo du ihn hingelegt, so werde ich ihn holen. Sagt Jesus zu ihr: Maria! Da wendet sie sich und sagt zu ihm hebräisch: Rabbuni! das heißt: Meister. Sagt Jesus zu ihr: Rühre mich nicht an; denn noch bin ich nicht aufgestiegen zu dem Vater!»
JvH: ""schwebt mit dem auffahrenden Christus hinauf ich betone ausdrücklich: es durchdringt der Stoff des Tuches den Stoff des Felsens, der die Grabhöhle bildet - und fällt nach dem Abschluß des Aufstiegs Christi zusammengerollt ""
Het opstijgen naar de Vader vind dus wss pas later plaats. Voordien is eerst nog de gang naar het middelpunt der aarde, ter helle. Efeziërs 4:9
Over het ten hemel varen nog het volgende:
Rudolf Steiner spreekt over een passage uit het 14e hoofdstuk in een
voordracht voor de priesters van de Christengemeenschap en zegt dan:
Nu wil ik nog meer als voorbeeld ingaan op een gedeelte uit het 14e
hoofdstuk van het Johannes-evangelie, vers 28, dat gewoonlijk zo wordt
gelezen:
Als je me liefhad zou je blij zijn dat ik naar mijn Vader ga, want de Vader
is meer dan ik. (NBV).
Ik geloof niet, beste vrienden, dat deze passage, wanneer die ons zo wordt
voorgedragen, iedere keer een ander gevoel zal oproepen als dit: het is niet te
begrijpen.
Want wat men hoort zijn eigenlijk slechts woorden, en deze woorden stemmen
niet overeen met alles wat in christelijke zin over de verhouding tussen
Christus en de Vader gezegd moet worden.
Maar ik maak u op het volgende opmerkzaam, dat de vertaling van dit stuk
ten goede kan komen.
Namelijk, dat juist in het sacrale spraakgebruik van vroeger tijden woorden
niet op een manier werden gebruikt als wij dat heden ten dage doen.
Wanneer wij tegenwoordig woorden gebruiken, gaan we ervan uit dat de
woorden naast elkaar staan, en we verbinden de dingen precies met de
woorden.
Het een of andere woord betekent dit of dat. Maar zo is het in het sacrale
spraakgebruik niet.
Daar leidt men als in een levend proces het ene woord over naar het andere,
zodat men het niet gerechtigd vond om zonder het bewustzijn van de samenhang
zomaar het woord “kind” uit te spreken.
Maar men moest in het woord “kind” voelen, dat daarin het groeiproces zit,
en dat men in dit groeiproces dat zich met het wezen van het kind verbindt, de
rechtvaardiging verkreeg (wanneer men het op de hele mensheid betrok) de ene
keer het woord “kind”, de andere keer het woord ”jongeling” en dan zelfs het
woord “grijsaard” te gebruiken.
Er lag dus een bepaalde vloeibaarheid in het woordgebruik. Nu was er een
verwantschap tussen dit spraakgebruik uit de mysteriën en het spraakgebruik van
die tijd, dat het Mysterie van Golgotha voor de mensheid naderbij kwam.
Men gebruikte toen – hoe vreemd dat ons ook mag voorkomen - afwisselend,
zoals het ene in het andere kan overgaan, het woord “vader” en het woord
“wereldgrond”.
Maar men beleefde bij dit begrip, dat deze “wereldgrond” door de
gebeurtenissen die in het Oude Testament zijn aangeduid – die dan ook weer bij
Paulus helder worden aangegeven met de oude en de nieuwe Adam, door de val van
de engelen waarmee ook de mens door de zondeval is gegaan – men beleefde dat
deze “vaderlijke wereldgrond” allengs tot de dood voerde.
Het was zo dat in de mysteriën een tijdlang ronduit het woord “vader” en
het woord “dood” afwisselend werden gebuikt.
Daarom moeten wij vertalen: Als je me liefhad zou je blij zijn dat ik in de
dood ga, want de dood is meer (machtiger) dan ik.
Er moet eigenlijk staan: “magischer” dan ik. Het woord “magisch” had in de
oude mysterietaal altijd iets te maken met “machtig”.
Zo wordt hier geduid op het overwinnen van de dood.
De leerlingen moesten zich dus verheugen, dat de Christus Jezus zich bereid
verklaarde tot de Vader te gaan.
Dat is echter in dit tijdperk: naar de dood toegaan.
uit: Rudolf Steiner: Vorträge und Kurse über christlich-religiöses Wirken
(GA 343)
2e Priestercursus - 29e voordracht - Dornach, 10 oktober 1921 ‘s
middags
In de visie van Joep Eikenboom:
In het evangelie Marcus (hfst. 16) staat: Hij zit aan de rechterhand van de
Vader.
In het Credo van de Christengemeenschap heeft Rudolf Steiner het zo kunnen
verwoorden:
"Toen overwon hij de dood na drie dagen.
Hij is sinds deze tijd Heer der Hemelkrachten op aarde
en leeft als de volbrenger van de vaderlijke daden van de
wereldgrond.”
Ik vat de hemelvaart dan ook niet op als een vertrek van Chrisus naar hoog
gelegen hemelen, maar juist dat Hij zich blijvend met de aarde wilde
verbinden.
Hij steeg op naar de ethersfeer, de levenssfeer rond de aarde, daar waar de
welke hun thuis hebben.
“Van daar zal hij wederkomen”, of zoals het klonk in het katholiek
Credo:
"Die opgestegen is ten hemel,
zit aan de rechterhand van God,
de almachtige Vader;
Vandaar zal Hij komen oordelen
de levenden en de doden.”
Steiner heeft boven ook beschreven dat de middeleeuwse voorstelling van Christus met baard niet klopte. In ieder geval is de gelijkenis van de lijkwade van Turijn met de door Steiner ontworpen houtsculptuur de mensheidsrepresentant niet erg groot. Dus wat de lijkwade wel is blijft nog een geheim ondanks veel onderzoeken met 3D beelden en stuifmeel onderzoek die er al uitgevoerd zijn .Er is heel veel moderne techniek op losgelaten.
Deshalb haben wir im Osten
des Baues aufzustellen dasjenige, was den Menschen empfinden lassen
kann dieses Streben nach Gleichgewicht. Und das soll in der gestern
erwähnten plastischen Holzgruppe zur Darstellung kommen, die als
Mittelpunktsfigur hat die Christus-Gestalt, die Christus-Gestalt, die
versucht worden ist so zu gestalten, daß man sich vorstellen kann: So
hat wirklich der Christus in dem Menschen Jesus von Nazareth gewandelt
im Beginne unserer Zeitrechnung in Palästina. Die konventionellen
Bilder des bärtigen Christus, sie sind ja eigentlich erst Schöpfungen
des 5., 6. Jahrhunderts, und sie sind wahrhaftig nicht irgendwie,
wenn ich den Ausdruck gebrauchen darf, porträtgetreu. Das ist versucht
worden: einen porträtgetreuen Christus zu schaffen, der der
Repräsentant zugleich sein soll des suchenden, des nach Gleichgewicht
GA 194, 13-12-1919 Sendung Michaels.
Steiner stelt ook nog dat er geen fysiek bewijs bestaat voor het bestaan van Christus.Dus ook de pogingen om dat bestaan aan de hand van een lijkwade te bewijzen voldoet niet aan de criteria dat alleen bovenzinnelijk onderzoek dit bewijs kan leveren.
Zo stelt men zich ongeveer voor dat het graf van Christus eruit gezien moet hebben.
Er word bericht dat de steen van zijn plaats geraakt is door een aardbeving maar ook door de handeling van een engel. Het is natuurlijk heel goed voorstelbaar dat dit samenging.
Er is een mooi verhaal van Irene Johanson over deze bijzondere steen.
Graftombe van Josef van Arimathea WAT DE GROTE STEEN BELEEFDE een verhaal van Irene Johanson Rond om de stad Jeruzalem lag vooral rotsachtig land. Heel lang geleden lag er voor een grote rots in de buurt van de stad een tuin. Deze tuin was van een rijke man die er vaak zijn tuinmannen heen stuurde om het gras te maaien of om de olijven te plukken die aan de bomen hingen. Meer mensen kwamen er meestal niet. Het was altijd stil en vriendelijk in de tuin. Alleen de vogels zongen en de wind streelde het zilvergroene blad aan de bomen. Maar op een dag kwamen er mannen de tuin in. Ze hadden houwelen bij zich en begonnen op de rots in te hakken zodat de stukken er vanaf vlogen. Eerst ontstond er een klein gat, maar dat werd al groter. De stukken die eruit werden geslagen rolden in het gras en tot slot hadden de mannen een flinke grot in de rots gehouwen. Met het allergrootste stuk steen gingen ze nog even verder. Daar sloegen ze alle hoeken en scherpe kanten vanaf tot hij zo rond was als een molensteen. “Dat moet later de deur worden als we de grot dicht maken”, zeiden zij en ze rolden hem een eindje bij het gat vandaan. Daar lag de steen nu alleen en onbeschermd in het gras. De wind blies over hem heen. De regendruppels vielen op hem. De zon liet hem gloeiend heet worden. Zelfs zo dat hij soms dacht dat hij zou barsten. “Ach”, dacht de steen, “wat was het toch goed om mij heen toen ik nog helemaal in de vaderrots zat. Ik zat helemaal in hem en hij zat helemaal om mij heen. Wat ik nu allemaal moet meemaken valt helemaal niet mee. Ik zou het wel uit kunnen houden als ik maar wat dichter bij hem zou zijn, wanneer ik hem een beetje kon zien en met hem kon praten.” Maar de steen lag een eind van de vaderrots vandaan, vrij en onbeschermd. Hij wist nog niet dat hij een heel bijzondere steen zou worden. Op een nacht, toen er geen ster aan de hemel stond hoorde de steen een akelig gekerm. Hij dacht: “Is hier iemand die bedroefd is?” Hij luisterde en opeens merkte hij dat het de aarde zelf was die uit de diepte naar de hemel riep. Het was alsof de grot die de mannen hadden uitgehakt nu net de mond van de aarde was geworden van waaruit haar klacht 's nachts naar buiten kwam. Ze klaagde: “Ach, ik ben zo moe. Ik ben al mijn kracht kwijt geraakt. Ik kan de planten niet meer hoog laten groeien. Ik kan het water niet meer laten opborrelen. Ik ben zo zwak. Alles doet me pijn. Kon ik maar uit de diepte omhoog komen, naar de zon opstijgen en bij haar weer jong en sterk worden. Zon, kom mij halen alsjeblieft.” De steen, die Moeder Aarde zo hoorde klagen, was bang dat ze zou sterven. Iedere nacht hoorde hij haar kreunen. Daarom begon ook de steen naar de zon te roepen: “Zon, luister toch naar de klacht van Moeder Aarde! Alsjeblieft, lieve zon, help de aarde.” Maar de zon kon de aarde niet laten opstijgen. Daarom moest de steen iedere nacht het klagen van Moeder Aarde aanhoren en hij kon haar niet helpen. Een tijd later, toen de zon hoog aan de hemel stond en geen wolken te zien waren, werd het felle middaglicht vaal en mat. De zon verduisterde. En midden op de dag werd het zo donker als in de nacht. Iedereen in de tuin werd bang, de dieren, de bomen, de bloemen, maar ook de steen. Maar het meest schrok de aarde. Ze beefde zo hard dat alles heen en weer schudde. De steen riep: “O, nu zal de aarde sterven. De zon laat haar in de steek.” Het was de moeilijkste tijd voor de aarde en voor alles wat er op leefde. “Was ik maar in de buurt van de vaderrots, was ik nou maar in de buurt van de grot waaruit het gekreun kwam. Ik wil zo graag Moeder Aarde troosten”, zuchtte de steen. Net toen hij dat gedacht had zag de steen mensen de tuin in komen. Langzaam en voorzichtig. Tussen hen in scheen een zwak schijnsel. Toen zij dichterbij kwamen zag de steen dat zij een mens droegen die overleden was. Daar kwam dat schijnsel vandaan, dat was als van de zon die door dikke wolken schijnt? Ze legden hem in het rotsgraf, precies op de plek waar de steen in de rots had gezeten voor hij daaruit gehakt was. Voor de steen goed en wel door had wat er aan de hand was kwamen er mannen naar hem toe, zetten hem overeind en rolden hem naar de grot waar de lichtende mens in lag. De steen was nu de deur van het graf geworden en tegelijk stond hij er dicht tegenaan. Zijn grote wens was vervuld. Hij was weer dicht bij de vaderrots en hij kon het hart van Moeder Aarde voelen kloppen. ’s Nachts wachtte hij tot hij de klacht van Moeder Aarde weer zou horen. Maar de mond waaruit het geklonken had, de grot, was nu dicht. De lichtende mens lag erin en hij zelf, de steen, lag ervoor. Ineens hoorde de steen een lichte toon die uit het binnenste van de aarde naar boven kwam. Het klonk vrolijk en onbeschrijflijk mooi. Wat hoorde de steen? Toen hij even had geluisterd herkende hij wie het was. Het was Moeder Aarde die zong. En de steen verstond wat de aarde zong: Ik ben weer nieuw, ik heb weer moed. De Zonnemens is bij mij gekomen. Met zijn lichaam en zijn bloed Vervult hij al mijn dromen. Ik ben weer jong, ik ben weer sterk. Ik kan weer heerlijk aan het werk. Zon en aarde zijn weer een. Leven, zonnekracht voor iedereen! Dank, dank aan de zoon van God. Mij, Moeder Aarde, wacht een heerlijk lot! Toen de steen het lied van de aarde hoorde werd hij zo vrolijk en zo rustig als een kind, dat door zijn moeder in slaap gezongen wordt. Het werd helemaal stil in de tuin. Dag en nacht bewoog er helemaal niets. De aarde liet zich niet meer horen. Geen zuchtje wind bewoog de blaadjes. Geen vogel tsjilpte, geen krekel sjirpte. Ook de steen zweeg en wachtte. Hij dacht dat Moeder Aarde in haar binnenste een groot geheim verborgen hield. Nog voor het dag was werd de steen plotseling opzij gerold maar nu niet door mensenkracht. De aarde beefde, maar de steen merkte dat het nu niet van schrik was, maar van geluk. Wat was er gebeurd? Daar waar hij gelegen had stond een stralende gestalte, de Zonnemens. Hij was uit het rotsgraf opgestaan. Niet meer zwak schijnend als door dikke wolken, maar stralend als een hemels licht. Hij overstroomde de steen met zijn lichte stralen, liep door de tuin en verdween toen zacht. De steen was de enige die dit alles had gezien. Toen hij de Zonnemens nog nakeek, daalde er een engel uit de hemel neer op de steen. De zon kwam achter het rotsgraf op. Mensen kwamen in de tuin en zochten in de grot naar de mens die ze daar gisteren hadden neergelegd. Die keken geschrokken naar de steen die voor de grot vandaan was gerold en naar de lege plek waar hij had gelegen. Ze dachten: “Boze mensen hebben onze liefste mens meegenomen.” De steen wilde hen troosten en vertellen wat hij die morgen had gezien. Maar mensen verstaan stenen niet. De steen vroeg gelijk aan de engel, want engelen verstaan wel stenen,: “Vertel jij hen wat er is gebeurd.” De engel deed wat de steen vroeg en zei tegen de verdrietige mensen: “Die jullie zoeken, hier is hij niet. Hij is opgestaan en zal jullie overal in je leven voorgaan.” De steen heeft alles onthouden wat hij heeft meegemaakt en alle stenen weten het nu ook. Sinds die tijd gebeurt het vaak dat mensen bij een wandeling langs een oeroude steen lopen en bij zichzelf denken; “Als die steen eens kon praten, wat zou hij dan ons vertellen?” Op zo’n moment weet de mens bijna het geheim van de grote steen, die erbij was toen de Zonnemens, de Zoon van God, in het graf werd neergelegd en weer is opgestaan. (wordt vervolgt) uit: Irene Johanson: Geschichten zu den Jahresfesten Verlag Urachhaus Stuttgart vertaling: B.Verschoor
de steen word in diverse evangeliën genoemd:
Onderstaand eea ontnomen uit de perikopen van Joep Eikelenboom. (gedeeltelijk doublure tekst met eerder genoemde teksten)
Na de sabbat, bij het aanbreken van de eerste dag van de week, kwamen Maria Magdalena en de andere Maria bij het graf kijken. Op dat moment ontstond er een geweldige aardbeving, want een engel van de Heer daalde neer uit de hemel, kwam naderbij, wentelde de steen weg en liet zich erop neer. Zijn gedaante was als de bliksem en zijn gewaad wit als sneeuw. De wachters beefden van vrees voor hem en zij werden als doden. De engel nam het woord en sprak tot de vrouwen: ‘Jullie, wees niet bevreesd. Ik weet dat jullie Jezus, de gekruisigde, zoeken. Hij is niet hier, want hij is opgestaan, zoals hij heeft gezegd. Kom en zie de plaats waar hij heeft gelegen.
(Matt.28:1-6)
Toen de sabbat voorbij was, kochten Maria van Magdala en Maria de moeder van Jakobus, en Salome geurige kruiden om hem te balsemen. Nog vroeg in de ochtend van de eerste dag van de week kwamen ze bij het graf; de zon was juist opgegaan. Ze zeiden tegen elkaar: ‘
Wie zal voor ons de steen voor de ingang van de grafkamer wegrollen?’ Maar toen ze opkeken, werden zij gewaar, dat de steen al was weggerold. Deze steen was zeer groot. Binnengegaan in de grafkamer, zagen zij aan de rechterzijde een jongeling zitten
bekleed met een wit lang gewaad, en zij schrokken. Maar hij sprak tot hen: ‘Schrik niet! Jullie zoeken Jezus, de Nazarener, de gekruisigde. Hij is opgestaan, hier is hij niet. Hier is de plaats waar zij hem hebben neergelegd.
(Mrc.16:1-6)
Op de eerste dag van de week gingen zij in de vroege ochtendschemering naar het graf, met de balsemkruiden, die ze hadden bereid. Zij vonden de
steen voor de grafkamer weggerold, en toen ze naar binnen gingen, vonden ze het lichaam van de Heer Jezus niet.
Terwijl zij daarover verbijsterd waren, stonden er twee mannen in
stralend witte gewaden bij hen. Toen zij van schrik het hoofd naar de grond bogen, zeide de mannen tegen hen: ‘Waarom zoeken jullie de levende bij de doden? Hij is niet hier, want hij is opgestaan. Herinner je wat hij tegen jullie sprak, toen hij nog in Galilea was en zei: De Mensenzoon moet in de handen van de zondige mensen worden overgeleverd en worden gekruisigd en op de derde dag opstaan? Nu herinnerden ze zich zijn woorden.
(Luc.24:1-8)
Ga snel op weg en zeg tegen zijn leerlingen: Hij is opgestaan uit de doden; en kijk, hij gaat jullie voor naar Galilea; daar zullen jullie hem aanschouwen. Let op, ik heb het jullie verzegd.
Zij gingen snel weg bij het graf, vervuld van eerbiedige vrees en grote vreugde, en liepen naar zijn leerlingen om het bericht over te brengen. Daar kwam Jezus hen tegemoet en sprak: Wees gegroet. Ze gingen naar hem toe, grepen zijn voeten en lagen in aanbidding voor hem neer. Toen zei Jezus tegen hen: ‘Wees niet bevreesd, ga mijn broeders en zeg hun, dat zij naar Galilea moeten gaan; daar zullen zij mij zien.’
(Matt.28:7-10)
Maar ga nu tegen zijn leerlingen en tegen Petrus zeggen: Hij gaat jullie voor naar Galilea; daar zullen jullie hem zien, zoals hij jullie heeft gezegd. Buiten gekomen vluchtten weg bij het graf, want ze beefden schrik en waren buiten zichzelf. Ze waren zo otzet dat ze tegen niemand iets zeiden.
(Mrc.16:7-8)
Herrezen op de eerste dag van de week verscheen hij eerst aan Maria van Magdala, bij wie hij zeven demonen had uitgedreven. Ze ging de boodschap vertellen aan hen die steeds bij hem geweest waren en die nu treurden en weenden. Maar toen zij hoorden dat hij leefde en dat zij hem had gezien, geloofden ze het niet.
(Mrc.16:9-11)
Het waren Maria van Magdala en Johanna en Maria, de moeder van Jakobus. Ook enkele andere vrouwen die bij hen waren, zeiden het tegen de apostelen. Die beschouwden het als kletspraat en zij geloofden hen niet. Maar Petrus stond op en liep naar de grafkamer. Toen hij zich bukte,
zag hij alleen de linnen doeken liggen; hij ging weer weg, met verwondering denkend aan wat hij had gezien.(Luc.24:10-12)
Op de eerste dag van de week, in de vroege morgen, terwijl het nog donker is, komt Maria Magdalena bij het graf. En zij ziet, dat de
steen van de grafstede is weggenomen. Ze loopt naar Simon Petrus en de andere leerling, hij die Jezus liefhad, en zegt tegen hen: Zij hebben de Heer uit de grafkamer weggehaald en wij weten niet waar ze hem hebben neergelegd. Toen begaven Petrus en de andere leerling zich op weg en gingen naar het graf. Ze liepen samen, maar de andere leerling liep vooruit, sneller dan Petrus, en hij kwam als eerste bij de grafkamer. En toen hij zich voorover bukte, zag hij de
doeken die daar lagen, maar hij ging niet naar binnen. Daarna kwam ook Simon Petrus, die hem volgde, en ging de grafkamer binnen.
Hij zag de doeken die daar lagen; de zweetdoek die zijn hoofd had bedekt, lag niet bij de andere doeken, maar afzonderlijk ineengerold op een andere plaats. Nu ging ook de andere leerling, die het eerst bij het graf was gekomen, naar binnen en hij zag en geloofde. Want voor die tijd hadden zij het schriftwoord niet begrepen, dat hij zou opstaan uit de dood. De leerlingen keerden daarna weer naar huis terug.
Maria was wenend bij het graf blijven staan. Nog altijd wenend boog zij zich voorover om in de grafkamer te kijken en zij ziet twee engelen in witte gewaden, één zittend aan het hoofdeind en één aan het voeteneind van de plaats waar het lichaam van Jezus had gelegen. Zij vragen haar: Vrouw, waarom ween je? Zij zegt tegen hen: Zij hebben mijn Heer weggenomen en ik weet niet waar ze hem hebben neergelegd.
Toen zij dit gezegd had, keek zij om en zag achter zich Jezus staan, maar ze begreep niet, dat het Jezus was.
Jezus zegt tegen haar: Vrouw, waarom ween je, wie zoek je? Zij meent dat het de tuinman is en zegt tegen hem: Heer, als jij hem hebt weggebracht, zeg mij waar je hem hebt neergelegd; dan zal ik hem halen. Jezus zegt tegen haar: Maria! Ze draait zich om en zegt in het Hebreeuws: Rabboeni! - Dat betekent: meester. Jezus zegt tegen haar:
Houd me niet vast. Want ik ben nog niet opgestegen naar de Vader. Maar ga naar mijn broeders zeg hun:
ik stijg op naar mijn Vader jullie Vader, mijn God en jullie God. Zo komt Maria Magdalena ging bij de leerlingen met de boodschap: Ik heb de Heer gezien en dit is wat hij tegen heeft gezegd.
(Joh.20:1-18)
Daarna verscheen hij in een andere gedaante aan twee van hen toen die onder weg waren en over de velden liepen. Zij keerden terug en brachten de anderen de boodschap, maar ook hen geloofd zij niet. (Mrc.16:12-13)
Op dezelfde dag waren ook twee van hen onderweg naar een dorp, zestig stadie van Jeruzalem gelegen, Emmaüs genaamd. Zij spraken met elkaar over alle gebeurtenissen. Terwijl zij zo spraken en van gedachten wisselden, kwam Jezus zelf naderbij en ging met hen mee. Maar hun ogen waren bevangen, zodat ze hem niet herkenden. Hij zei tegen hen: Wat zijn het voor gesprekken die jullie zo onderweg met elkaar voeren? Toen bleven ze met een droevig gezicht staan.
Een van hen, die Kléopas genaamd, gaf hem antwoord: Ben jij de enige vreemdeling in Jeruzalem, dat niet weet wat daar deze dagen is gebeurd? Hij zei tegen hen: Wat bedoel je? Zij zeiden tegen hem: Wat er is gebeurd met Jezus de Nazarener, een profeet was, machtig in woord en daad voor God en het hele volk; en hoe onze hogepriesters en de Hoge Raad hem hebben overgeleverd o, hem ter dood laten veroordelen en te kruisigen. Wij hoopten zelfs, dat hij de verlosser van Israël zou worden. Maar al met al is het nu de derde dag sinds dit alles is gebeurd. Bovendien hebben enige vrouwen uit onze kring ons in verwarring gebracht. Zij kwamen in de vroege ochtend bij het graf, maar hebben zijn lichaam niet gevonden en zij kwamen zeggen, dat zij zelfs een verschijning van engelen hadden gezien, die zeiden dat hij leeft. Enigen van ons zijn naar het graf gegaan en hebben alles aangetroffen, zoals de vrouwen hadden gezegd; maar hem hebben zij niet gezien.
Toen sprak hij tot hen: O onwetenden, met te trage harten om te geloven in alles wat de profeten hebben gezegd. Moest de Christus niet op deze wijze lijden om zijn eigenlijke wezen te kunnen openbaren? En beginnend bij Mozes en alle profeten legde hij hun uit wat in al de geschriften over hem is geschreven.
Zo naderden zij het dorp waarheen ze op weg waren en hij maakte aanstalten, verder te gaan. Toen drongen zij bij hem aan: Blijf bij ons, want het is tegen de avond en de dag is al ten einde. En hij ging naar binnen en bleef bij hen. En terwijl hij met hen aan tafel aanlag, nam hij het brood, zegende en brak het en gaf het hun. Toen werden hun ogen geopend en zij herkenden hem. Maar hij werd onzichtbaar voor hen. Zij zeiden tegen elkaar: Brandde ons hart niet in ons, terwijl hij onderweg met ons sprak en de schriften voor ons opende? En onmiddellijk stonden zij op en keerden naar Jeruzalem terug. Daar vonden zij de elf en de anderen bijeen, die hen ontvingen met de woorden: De Heer is werkelijk opgestaan en is aan Simon verschenen. Zij vertelden wat er onderweg was gebeurd en hij zij hem onder het breken van het boord hadden herkend. Terwijl zij hierover spraken, stond hij zelf in hun midden staan en sprak: Vrede zij met jullie.
(Luc. 24:13-36)
Het laatst verscheen hij aan de elf terwijl ze aan tafel aanlagen. Hij verweet hun hun ongeloof en de verharding van hun hart, omdat ze hen die hem hadden geschouwd nadat hij was herrezen, niet hadden geloofd.
(Mrc.16:14)
Toen het avond was geworden op die dag, de eerste dag van de week, en de deuren van het vertrek waar de leerlingen waren uit vrees voor de Joden, waren gesloten, kwam Jezus. Hij stond in hun midden en zei tegen hen: Vrede zij met jullie. En bij deze woorden toonde hij hun zijn handen en zijn zijde. De leerlingen waren vol vreugde toen zij de Heer zagen. Nogmaals zei hij tegen hen: Vrede zij met jullie. Zoals de Vader mij heeft gezonden, zo zend ik jullie. En toen hij dit had gezegd, liet hij zijn adem naar hen toestromen en zei tegen hen: ontvang heilige Geest! Van wie je de zonden afneemt, die zijn daarvan bevrijd; wie je de zonden laat behouden, die blijven eraan gebonden. (Joh.20:19-23)